Past het georganiseerde Humanisme nog bij mij? – Pamflet voor Nieuw Humanisme

De laatste tijd bekruipt mij steeds sterker de vraag of ik me nog thuisvoel in het georganiseerde humanisme en bij de organisaties die het humanisme publiekelijk uitdragen.

Humanistische organisaties, waaronder internationale koepels als EHF en IHEU en landelijke instanties als het Humanistisch Verbond, zijn complexe instituten, die zich met tal van zaken bezig houden. Sommige van hun activiteiten zijn zeer “praktisch”, zoals het geven van humanistische bijstand aan bijvoorbeeld gevangenen, maar veel van de activiteiten zijn gericht op het agenderen van zaken en het beinvloeden van de publieke opinie.

En met dat laatste heb ik steeds meer moeite. Want het lijkt soms wel alsof de humanistische organisaties met slechts één boodschap het grote publiek willen bereiken: de vrijheidsbeperkende invloed van religie in het algemeen, en die van de Islam in het bijzonder.

De focus van het HV ligt, onder de bezielende leiding van voorzitter Van der Ham, vooral op de positie van voormalige moslims in landen in het Midden-Ooosten. En niet zonder reden: de positie van iedereen die atheîst is of een andere religie aanhangt is in sommige landen uiterst benard, en met name zij die de Islam (willen) verlaten moeten soms vrezen voor hun leven. Niemand zal ontkennen dat het een goede zaak is als deze issues op de diverse internationale politieke agenda’s een belangrijke plaats krijgen.

En toch vraag ik me soms af of deze overmatige aandacht voor (ex-)Mosilms zo een prominente plek in moet nemen binnen de humanistische instituties. Vooral met het oog op de beeldvorming rond het humanisme onder gelovigen hier in Nederland, die de instituten toch vooral als “one-issue”-organisaties zullen beschouwen die vooral de kwalijke kanten van religie onder de aandacht brengen.

Het feit dat het humanisme een atheïstische basis kent, is voor mij geen reden om zich daarom dan ook vooral tegen religie te keren. Immers, het humanisme staat voor een grote hoeveelheid waarden die met grote regelmaat buiten een religieuze context worden geschonden, bijvoorbeeld in rechts-radicale kringen. Nu ben ik nadrukkelijk niet van de school die zegt dat je je niet om een probleem mag bekommeren, “omdat er ook andere problemen zijn”. Wel vraag ik me af waarom de humanistische organisaties met name dit aspect (religieuze invloed vs. seculaire waarden) zo nadrukkelijk op de korrel nemen.

Maar er is een nog belangrijker reden waarom ik moeite heb met het benadrukken van de onverenigbaarheid tussen humanistische waarden en het aanhangen van een religie. Wij schieten onszelf in de voeten.

Humanistische organisaties moeten zichzelf de vraag stellen: Waartoe bestaat onze club? Wat willen wij bereiken?

Persoonlijk zou ik die vraag beantwoorden met: het zo breed mogelijk verspreiden van humanistische waarden in de samenleving, zoals daar zijn het in hoge mate waarderen van een rationele en/of wetenschappelijk benadering van vraagstukken, democratie en inspraak, sociale betrokkenheid, grote individuele vrijheiden op persoonlijk vlak en een gedeelde verantwoordelijkheid voor het streven naar een waardig en vrij bestaan voor iedereen.

Is deze strijd erbij gebaat wanneer het júist de humanisten zijn die telkens verkondigen dat deze waarde in tegenspraak zijn met de waarden van hen die een religie aanhangen? Is het niet zo dat wíj, de humanisten, keer op keer het idee inprenten bij religieuzen dat zij niet hoeven te proberen om humanistische waarden na te streven, omdat die volgens de door ons aangehaalde voorbeelden onverenigbaar zijn met het geloof?

En nogmaals: wanneer humanistische overtuigingen en zelfs basale mensenrechten hartgrondig worden geschonden uit naam van een religie, dan is het de plicht om deze zaken te bekritiseren. Maar wanneer wij ons alleen nog maar bekommeren om misstanden die voortkomen uit religieus fanatisme, en vrijwel volledig voorbij gaan aan alle vormen van discriminatie, uitsluiting, racisme, seksisme en andere schendingen van de mensenlijke waardigheid die hun grondslag niet hebben liggen in religie, dan schieten wij ons uiteindelijke doel falikant voorbij.

Ik wil pleiten voor een nieuwe vorm van humanisme.

Dat nieuwe zit hem niet eens zo zeer in afwijkende ideeën over de humanistische waarden. Het nieuwe zit hem vooral in de focus die we moeten leggen daar waar die nodig is, om zo effectief mogelijk tot de realisatie van onze doelen te komen: het verspreiden en in de praktijk brengen van het humanistisch gedachtengoed.

  • Uitdragen van humanistische waarden met een positieve boodschap. Laten zien wat de (persoonlijke) meerwaarde is van het omarmen van deze waarden. Niet waarom religie beperkend is, maar waarom humanisme verrijkend is.
  • Laten zien wat humanistische waarden voor persoonlijke vrijheid kunnen betekenen, bijvoorbeeld op het gebied van relatievormen en gender- en seksusele identiteit.
  • Uitdragen dat het niet ons streven is om mensen hun religie te laten afzweren, maar duidelijk maken dat er veel voorbeelden zijn -nu en in de geschiedenis, en mogelijk bij andere godsdiensten- die tot inspiratie kunnen dienen bij het verenigen van religie en humanisme, inclusief de persoonlijke vrijheden die wij nastreven.
  • Een betere balans tussen de aandacht voor persoonlijk humanisme en het “politieke” streven van het humanisme.
  • Het nadrukkelijk veroordelen van hypocriete rechtse krachten, voor wie onderwerpen als vrouwen- en homo-rechten alleen een issue zijn wanneer ze in verband kunnen worden gebracht met religie.
Ik wil niet bij een club horen die uitdraagt dat je, zolang je een religie aanhangt, je onmogelijk een voorstander kunt zijn van vrijheden voor homo’s, vrouwen en anderen onderdrukten. Ik wil niet telkens om de oren worden geslagen met een Koran-vers of een citaat uit Leviticus waaruit moet blijken dat je als gelovige onmogelijk achter deze vrijheden kunt staan.

Ik wil niet bij een club horen die de afstand tussen gelovigen en humanistische waarden alleen maar bevestigt en vergroot.

Wij zijn op de verkeerde weg.

Het is aan ons om liberalere gelovigen in ons kamp te krijgen. Het is aan ons om gelovigen een voorbeeld te geven van mensen die belangrijke persoonlijke vrijheden weten te combineren met hun religie.

En bovendien is het aan ons om op te staan en onze stem te laten horen telkens wanneer iemand weer de suggestie wekt dat deze waarden absoluut onverenigbaar zijn. Want het laatste wat we willen is dat ruimdenkende, twijfelende en progressieve gelovigen het idee krijgen dat ze inderdaad hun geloof naar de letter van het Heilige Schrift moeten volgen. En juist dat is wat wij nu doen.

Het is tijd voor een Nieuw Humanisme. Een humanisme dat de goedwillendheid van mensen van allerlei pluimage weet te verenigen, om zo een krachtig signaal af te geven dat er meer is wat ons bindt, dan wat ons verdeelt.

Ik vraag me af of hier binnen de bestaande humanistische instituties plaats voor is. En dus of ik nog langer deel wil uitmaken van organisaties die het tegenovergestelde bewerkstelligen dan dat waarvoor ze zeggen te staan.

De filosoof en haar smartphone – Zeuren over Internet

Iedereen kent ze. Die Facebook-posts waarin mensen quasi-verontrust wijzen op de desastreuse gevolgen van het Internet in het algemeen -en sociale media in het bijzonder- op onze gemeenschappelijke geestelijke gezondheid, ons vermogen om met andere mensen te communiceren en het algehele voortbestaan van de mens als sociaal wezen. Vaak gaan die berichten vergezeld van een artikel over een of ander onderzoek, waarin een verband wordt gelegd tussen het gebruik van informatietechnologie en een veelvoud van ogenschijnlijk gerelateerde gevolgen, die altijd als conclusie hebben dat menselijke sociale vaardigheden op het punt staan te worden geruïneerd als we niet als de wiedeweerga ons Internetgebruik drastisch aan banden leggen.

Als je écht geluk hebt, betreft de post een persoonlijk relaas over de kwalijke gevolgen van “overmatig” online zijn, gevolgd door de plechtige belofte de smartphone definitief af te zweren of het Facebook-gebruik danig in te perken (dat deze inzichten zonder uitzondering júist op Facebook worden gedeeld, is iets wat de betreffende schrijver vaak volledig ontgaat). Ik heb zelfs berichten voorbij zien komen van jonge twintigers, die zonder een greintje ironie vertellen hoe mooi de werkelijke wereld is die zich aftekent door de ramen van de trein, nu de smartphone in de ban is gedaan.

Behoudens de sporadische gevallen waarbij deze berichten in hun absurditeit een kleine glimlach rond mijn mond doen verschijnen, roepen ze vooral ergernis op. Die ergernis is te herleiden tot twee zaken: 1) het idee dat mensen een “slaaf” zijn van de technologie en zichzelf of anderen daartegen in bescherming moeten nemen, en 2) het grenzeloze gebrek aan verwondering voor de tijd waarin wij leven, en de middelen die wij als eerste generatie voorhanden hebben om onszelf te informeren, te communiceren, te vermaken, te scheppen en delen.

Het is de schuld van Internet

Ik hecht bijzonder de persoonlijke autonomie van mensen, en hun vermogen om goede afwegingen en keuzes te maken. Bijvoorbeeld over de rol die informatietechnologie in hun leven speelt. Het komt me dan ook tamelijk absurd over wanneer mensen spreken over “verslavingen” die vermaledijde sociale platforms hen bezorgen, de hoeveelheid tijd die het hen kost, de afhankelijkheid van het medium en de druk die ervan uitgaat om zichzelf op een bepaalde manier te profileren. Mensen die ontevreden zijn over hun eigen internetgebruik of dat van anderen, en de schuld daarvan afschuiven op het bestaan van moderne communicatiemiddelen en de platformen die daarop beschikbaar zijn, getuigen van een kinderlijk animistisch denken dat we ook tegenkomen bij kleuters. “Stomme stoel!”.

Het kan zijn dat ik mensen meer capaciteiten toedicht dan ze in werkelijkheid hebben, maar ik hou desalniettemin graag aan dat idee vast. Iemand die tijdens een gezellig etentje constant op zijn smartphone aan het kijken is, is geen slachtoffer van de moderniteit, maar een idioot. En bovendien iemand die de verantwoordelijkheden voor zijn eigen tekortkomingen (of onwelgevallig sociaal gedrag van anderen) niet daar legt waar die zou moeten liggen: bij zichzelf.

Maak het zelf relevant

Er zijn hedendaagse filosofen (het soort dat geen drie zinnen kan spreken zonder de frase “post-moderne mens” in een van die zinnen te verwerken), die hel en verdoemenis prediken rond de sociale media. Het zou ons diep ongelukkig maken om al die berichten van onze vrienden te zien, omdat die zich op Facebook van hun gezelligste, aantrekkelijkste of succesvolste kant zouden tonen. Ik vind die constatering ronduit lachwekkend. Daar waar mensen sociale media vooral inzetten voor het melden van persoonlijke wissewasjes (en dat gebeurt met name op Facebook), beperken die zich in de meeste gevallen tot foto’s van borden eten, het zoveelste glas wijn, het geijkte “kijk-mij-eens-authentiek-zijn” op een feestje of die obligate foto op dat bekende pleintje in het land van verblijf, door sommigen aangevuld met foto’s van de pas aangeschafte auto of de meest recente verbouwing van tuin of huis. Als er één gevoel is dat deze foto’s bij mij losmaakt, dan is het wel het mistroostige idee dat dit volgens bovengenoemde filosofen ook nog eens de geretoucheerde versie van de levens van deze mensen betreft. Het besef dat ik mezelf gelukkig kan prijzen niet aan deze piketpaaltjes deel te hoeven nemen wint het maar heel zelden van de irritatie over de inspiratieloze mededelingen die mensen op Facebook plaatsen.

Ik ben altijd van de school geweest die het motto “don’t blame the medium” hanteert, en wanneer de berichten op Facebook niet aan de verwachtingen voldoen, dan ligt dat eerder aan de connecties die je op Facebook hebt, dan aan het medium zelf. Waarvan akte. Misschien als gevolg hiervan is mijn ervaring met Twitter een heel andere: Twitter is met afstand mijn belangrijkste bron van interessante artikelen en informatie. Door het a-synchrone karakter van Twitter is het veel eenvoudiger om mensen te volgen, en ik maak daar dan ook gretig gebruik van. Onder de mensen die ik volg zitten filosofen, journalisten, politici, columnisten en andere mensen die één of meerdere van mijn interesses delen, en gezamenlijk zorgen zij voor een onuitputtende stroom van voor mij relevante informatie.

Wikipedia en Diderot

Maar sociale media zijn maar een klein facet van de zegeningen van het Internet. Met afstand mijn favoriete site (door mij afwisselend ook wel “het mooiste kennisproject uit de geschiedenis van de mensheid” en “de reden waarvoor het Internet ontwikkeld is” genoemd), is Wikipedia. Het idee dat miljoenen mensen van over de gehele wereld belangeloos meewerken aan het maken en up-to-date houden van een naslagwerk met daarin alle kennis van de mensheid, kan mij oprecht ontroeren. Nooit eerder in de geschiedenis is het mogelijk geweest om een project met een dergelijke omvang op poten te zetten.

Ik ben een groot liefhebber van de Franse Verlichting en de denkers uit die periode, met een zeer sterke voorkeur voor de radicale filosoof Denis Diderot. Diderot was de mede-grondlegger van de Encyclopédie, een imponerende poging om alle kennis van de wereld te verzamelen in een serie boeken, met als doel het volk kennis te laten maken met wetenschap, ambacht en filosofie teneinde ze te verheffen en een rijker en gelukkiger leven te laten leiden. Telkens wanneer ik weer eens aan het grasduinen ben door de Wikipedia, bedenk ik me hoe fantastisch het zou zijn om dat alles aan Denis Diderot te kunnen laten zien. Laten zien hoe we tijd en afstand hebben overwonnen, hoe publiceren van ideeën en informatie écht gedemocratiseerd is, hoe groot de bereidwilligheid van de mens is om samen te werken, ongeacht hun culturele afkomst, zolang zij voor een gemeenschappelijk doel gaan.

Besef

Het stoort me enorm dat mensen zich niet realiseren dat we in een bijzondere periode leven. Dat er een tijd zal komen dat geschiedkundigen het zullen hebben over “vóór Internet” en “ná Internet”. Wíj zijn die generatie die voor het eerst de beschikking heeft over dit medium. Een medium dat ons in contact brengt met ontelbare anderen, op ontelbaar veel verschillende plekken, met ontelbaar veel verschillende interesses en ideeën. Internet is geen netwerk van computers, maar een netwerk van mensen dat daarvoor een computer gebruikt. Het is aan de gebruikers van dat Internet om het medium in te zetten zoals hij of zij dat goeddunken. Maar het is bijzonder jammer als mensen het volle potentiëel van het netwerk niet erkennen. Of erger nog: er op afgeven, en het zien als het grote gevaar voor de “post-moderne mens”.

Sociale verandering?

Een en ander wordt dan ook nog eens aangevuld door het absurde idee dat het Internet in de plaats is gekomen van andere vormen van communiceren of sociaal gedrag. Gelegenheidsfilosofen die ons menen te moeten wijzen op het feit dat we niet meer zouden weten wat vriendschappen zijn, omdat de term “vriend” ook gebruik wordt om connecties op sociale netwerken aan te geven. Of mensen die denken dat we door het gebruik van instant messaging programmaatjes verleerd zijn om normale gesprekken met elkaar te voeren.

Nu valt er veel te zeggen over de momenten waarop sommige mensen naar hun telefoon grijpen, en dat doe ik dan ook geregeld (“moet die telefoon tijdens ons etentje echt de hele tijd op tafel liggen?”). Laten we dat een periode van wennen noemen. Maar het is absurd om te denken dat de hoeveelheid communcatie tussen mensen is afgenomen sinds de smartphone zijn intrede heeft gedaan. De momenten in de bus waarop iedereen verdiept is in zijn beeldscherm, werden in een ver verleden in tegenstelling tot wat populair wordt aagenomen níet zondermeer gevuld met gesprekken met medereizigers. Men las een boek of de krant, of keek uit het raam. Of luisterde naar de walkman.

Maar hoewel ik graag zou zien dat mensen hun smartphone ook zouden gebruiken als de rijke kennisbron die het is (door bijvoorbeeld eens wat vaker een interessant artikel te lezen), gebruik de meeste mensen hun toestel voor sociale media. Men like’t, comment, pingt en whats-app’t er lustig op los. Allemaal activiteiten die plaatsvinden met het doel te communiceren met anderen. Je kunt veel van smartphones zeggen (over de diepgang van de communicatie bijvoorbeeld), maar niet dat het gebruik ervan tot desinteresse in andere mensen of afname van contacten heeft geleid.

Nieuwe contacten

Sterker nog: ik durf te beweren dat we sinds de komst van het Internet uit een veel rijker palet aan “real life” contacten kunnen putten dan ooit te voren. Omdat het Internet letterlijk alle mensen met elkaar in verbinding stelt, is de kans meer dan aanwezig dat er ergens op dat netwerk mensen zijn die jouw interesses delen. Hoe klein de niche die je hebt gevonden ook is. Ik heb door de jaren heen ontelbaar veel mensen leren kennen via het Internet, vaak omdat ze zich bevonden in discussiefora of nieuwsgroepen over specifieke onderwerpen. Veel van deze contacten hebben tot hechte vriendschappen geleid, die vaak snel buiten de kaders van de initiële gemeenschappelijke interesse reikten.

Van sommige contacten kun je stellen dat ze door de beschikbaarheid van het Internet hooguit sneller en eenvoudiger tot stand zijn gekomen. Van andere ben ik overtuigd dat ze zonder Internet nooit waren ontstaan.

Plezier in gebruik

Tenslotte nog een laatste observatie. Door de school van internet-doemdenkers wordt als laatste strohalm soms ook nog de vermeende “status” die het gebruik van bepaalde apparatuur de eigenaar zou opleveren als argument in rekening gebracht. “Mensen zijn dom, ze kopen dure telefoons en tablets omdat ze daartoe door commercie en sociale druk gedwongen worden”. Zoiets. Voor de mensen die voor wat betreft hun visie op de zegeningen van het Internet toch al aan de andere kant van het hek staan, is het feit dat sommige mensen zich ook nog eens bekommeren over de vraag wélke technologie ze willen gaan gebruiken (en daarbij soms overtuigd voor een bepaald product kiezen) een doorn in het oog.

Bezien vanuit de pessimistische Internet-visie is dat misschien nog voor te stellen. Ik zie dat anders. Wij zijn de eerste generatie die kan en mag beschikken over deze middelen, apparaten waarmee we onze gedachten ordenen en ideeën scheppen, waarmee we onszelf nieuwe dingen leren en kennis opdoen, waarmee we ons vermaken en die ons in staat stellen te communiceren en in contact te treden met andere mensen die we anders misschien nooit hadden leren kennen. Een apparaat wat zo veel waarde verschaft en wat zo’n belangrijke rol speelt op alle bovengenoemde facetten van het leven, mag best zorgvuldig worden gekozen. Het summum van de huidige stand van de technologie toont zich op dit moment in de smartphone en tablet, waarbij eerstgenoemde excelleert in zijn draagbaarheid en het overal beschikbaar maken van het rijke Internet, en laatstgenoemde een fantastische lees-ervaring biedt, die volledig vergelijkbaar is met de manieren waarop je een tijdschrift zou lezen.

Ik hecht aan de stijl en het gemak van met name de software die draait op de apparaten die ik gebruik, omdat die mijn dagelijkse gebruik nog nét weer wat meer plezier verschaffen. Naar mijn mening komen al deze facetten in Apple-producten het beste samen, en mijn enthousiasme over deze producten mag ik graag delen. Dit enthousiasme afdoen als ware ik het slachtoffer van een kapitalistisch opzetje door medogeloze fabrikanten is een dubieuze kwalificatie mijn beoordelingsvermogen.

Hoe oud is een Jonge Humanist? – Een oproep tot leeftijds-individualisme

Enkele weken geleden nam ik deel aan de European Humanist Youth Days. Het weekend werd georganiseerd door de overkoepelende organisatie van Europese humanistische jongerenorganisaties, en op het evenement waren zo’n 150 mensen uit 15 verschillende landen aanwezig. Ik vond het een onvergetelijke ervaring (een inkorte versie van mijn impressies van het weekend vind je op de site van Jong HV). Hoewel de groep uit heel verschillende mensen bestond, met bovendien een diverse afkomst, was er direct sprake van een heel sterke cohesie. Van meet af aan was duidelijk dat de aanwezigen dezelfde waarden deelden, en belangrijk: voor die waarden wilden uitkomen. Dat sommigen in hun thuisland op dit punt vaak zeer beperkt bijval krijgen, maakte het enthousiame en de herkenning des te groter. En dat uitte zich niet alleen in vele, urenlange gesprekken op allelei locaties in het prachtige Brussel, maar ook in de familiaire en speelse omgang die er heerste. Het ging hier inderdaad om een groep jongeren met een grote interesse voor filosofie en humanisme die allemaal verzot zijn op goede gesprekken. Maar het betrof bovenal een groep jongeren.

De omgang tussen jonge mensen lijkt zich op een aantal punten te onderscheiden van dat van mensen die een decennium of wat ouder zijn. Ik heb vaak geprobeerd de vinger te leggen op wat het grootste verschil nu precies is, en ik denk dat dat het dichtste in de buurt komt bij de mate waarin de leden van de groep zich bepaalde vrijheden permitteren. En met vrijheden bedoel ik niet de vrijheid om je in de groep wat uitbundiger te kunnen gedragen. Ik bedoel dan juist de vrijheid om je ook buiten deze groep redelijk vrij -vrij van conventies, vrij van overmatige structuren, vrij van grote verantwoordelijkheden- te kunnen uiten. Ik denk dat dát gegeven het grote verschil bepaalt tussen de omgang van mensen van verschillende leeftijden.

Jonge mensen zullen vanwege de bovengenoemde vrijheden in staat zijn explicieter bepaalde gedragingen te omarmen of af te wijzen (omdat ze zich niet begeven in een omgeving die het van ze vraagt zich burgelijke conventies eigen te maken), ze zullen meer in staat zijn ad-hoc sociale activiteiten te plannen, te wijzigen of te verlengen (omdat er buiten school of werk weinig zaken om strakke structuren vragen) en ze kunnen gemakkelijker inspelen op plotselinge wijzigingen in interesses of voorkeuren (omdat ze weinig of geen verantwoordelijkheden naar andere dragen die dat zouden kunnen beletten).

Zelfs wanneer er niet actief gebruik wordt gemaakt van al deze vrijheden, dan nog weten veel jonge mensen wel dat ze er over kunnen beschikken, en dat maakt dat de uitgangssituatie tussen jongeren en ouderen volkomen verschillend. Het zorgt ervoor dat gesprekken met jonge mensen vaak een onbevangenheid hebben die ik bijzonder prettig vind.

Ik ben 37 en leid niet het leven volgens de structuren zoals veel mensen van mijn leeftijd dat doen, en dat is iets wat jonge mensen makkelijker lijken te accepteren dan leeftijdgenoten. Ik leef mijn leven zeer bewust, en alle grote keuzes zijn gebaseerd op zorgvuldige afwegingen. Maar omdat het zich niet kenmerkt door veel zaken die voor anderen klaarblijkelijk als een gegeven worden gezien voor een succesvolle levenswandel, word ik soms geconfronteerd met onbegrip of zelfs afkeuring bij leeftijdsgenoten. Ik heb niet de bekende piketpaaltjes geslagen wat mijn leven voor sommigen moeilijk “meetbaar” maakt.

Over mijn persoonlijke keuzes en welke gevolgen het afwijken van de normen die bij mijn leeftijd horen (op het gebied van carriere, relaties, kinderen, samenwonen, woonplaats, e.d.) kan hebben, geef ik een korte toelichting in het artikel ‘De meetbare leeftijd‘.

In een aantal opzichten lijkt de manier waarop jonge mensen in het leven staan meer op die van mij dan op die van mensen van mijn leeftijd. Dat maakt dan ook dat ik de sfeer die wat dat betreft heerst in groepen met veel jonge mensen vaak erg kan waarderen. Toch zijn er ook een aantal zaken waarbij het leeftijdsverschil wel zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld in gesprekken over relaties, waarbij het moeilijk is om met een 25-jarige te praten over hoe het is om een relatie van 7 jaar achter de rug te hebben, en hoe die zich onderscheid van de huidige relatie die al evenzolang duurt. Bepaalde ervaringen heeft iemand op jonge leeftijd nog niet gehad, en hoewel dat geen beletsel hoeft te zijn om erover te theoretiseren, kan het soms fijn zijn met iemand te praten die bepaalde zaken wél herkent.

Kortom, het is zo dat ik de voorkeur geef aan jonge mensen voor wat betreft (grote delen) van de leefstijl, structuren (of de afwezigheid daarvan) en verantwoordelijkheden (of de afwezigheid daarvan), maar tegelijkertijd graag praat met mensen die wat ouder zijn, omdat die kunnen buigen op meer kennis en eventueel vergelijkbare ervaringen.

Het kost me moeite om deze mensen te vinden.

Het Humanistisch Verbond besteedt veel aandacht aan het stimuleren van mensen om hun leven zo rijk mogelijk, en naar eigen inzichten, te kunnen invullen. Daarbij wordt ook veel focus gelegd op “de kunst van het ouder worden“. Maar dit project richt zich met name op de laatste decennia van het leven, en gaat over zaken als omgaan met vergankelijkheid. Ik denk dat er ruimte is om binnen het humanistisch denken de kaders van het thema “leeftijd” wat verder op te rekken, en eens te kijken hoeveel effect de druk van leeftijdsverwachtigen heeft op de manier waarop iemand zijn leven wil leiden. Ik denk dat een te grote druk indruist tegen de persoonlijke vrijheid waar ieder mens recht op heeft. Daarmee is het een interessant thema voor het Humanistisch Verbond. Emancipatie van leeftijds-individualisme, zogezegd.

Het lijkt mij geweldig om in contact te komen met andere mensen die, zoals ik, hun leeftijd en de daarmee gepaard gaande voordelen omarmen, maar die zich niet geroepen voelen om aan alle externe verwachtigen die bij een bepaalde leeftijd horen (zie ‘De meetbare leeftijd‘) te voldoen.

De meetbare leeftijd

In het artikel ‘Hoe oud is een Jonge Humanist? – Een oproep voor leetijds-individualisme‘ pleit ik voor meer aandacht voor de individuele keuzes die mensen moeten kunnen maken, ongeacht de verwachtingen die bij hun leeftijd horen.

Mijn eigen leven wijkt op een aantal punten af van wat gangbaar is bij leeftijdgenoten. Hieronder enkele voorbeelden.

Carriere

Zo heb ik geen gedetailleerd carrierepad uitgestippeld. Ik heb in de gelukzalige omstandigheden verkeerd dat ik vrijwel altijd heb kunnen werken in sectoren die op dat moment mijn grote interesse hadden. Want hoewel ze allemaal met schrijfwerkzamheden te maken hadden, waren ze erg verschillend. Ik heb jarenlang als commercieel schrijver gewerkt voor Philips, en daarbij veel vakbeurzen kunnen bezoeken over de hele wereld. Toen mijn interesse verschoof richring media, heb ik een tijd voor de VARA gewerkt. Recentelijk werkte ik voor HUMAN, en hoop ik in de nabije toekomst werkzaamheden te kunnen verrichten voor een humanistische organisatie. Het niet hebben van (met name financiële) doelen maakte dat ik me nooit blindstaarde op uitgestippelde paden binnen een organisatie, of zelfs binnen een vakgebied. Financiëel heb ik niet bepaald een stijgende lijn afgelegd, maar heb daar nooit hinder van ondervonden.

Kinderen

Ik heb altijd al een grote belangstelling gehad voor pedagogiek, ontwikkelingspsychologie en onderwijs. Ik lees er graag over, en ik maak me hard voor bepaalde humanistische waarden die ik graag in het onderwijs zou willen terugzien. Bovendien vind ik het leuk om af en toe vrienden met kinderen te bezoeken, vooral om met die kinderen een praatje te maken. Maar ik moet er niet aan denken om zelf kinderen te hebben. Voor mij zou de aanslag die het hebben van kinderen doet op je tijd en op de mogelijkheden je leven te leiden zoals je dat zou willen te groot zijn. Niet alleen zou de intensiteit van het hebben van kinderen inhouden dat ik minder (of geen) tijd kan besteden aan zaken die ik interessant vind, het zou bovendien inhouden dat ik niet -zoals nu- altijd de vrijheid heb om mijn leven een andere wending te geven.

Samenwonen

Ik heb inmiddels 7 jaar een relatie met mijn huidige vriendin, en wij hebben besloten om niet samen te wonen. We hebben allebei een flatje in dezelfde stad, op 10 minuten bussen van elkaar. Het grootste deel van de avonden brengen we samen door, hetzij bij mij thuis, hetzij bij haar. Maar er zijn ook een aantal avonden waarbij we niet samen zijn. Ik breng graag avonden alleen door, omdat het me alle vrijheid geeft om tv-programma’s te kijken, muziek te luisteren of boeken te lezen. Maar bovenal vind ik het ook belangrijk om vrienden te kunnen ontvangen. Mijn voorkeur gaat daarbij vaak uit naar één-op-één contacten, omdat die gesprekken vaak tot diep in de nacht kunnen duren. Het is heerlijk om die afspraken te kunnen maken in je eigen huis, zonder dat je partner daar rekening mee hoeft te houden of er altijd bij zou moeten zijn. Ik denk dat we als bonus op deze manier interessantere mensen zijn voor elkaar. Immers: er zijn meer ervaringen (gesprekken, gelezen teksten, etc.) die je hebt kunnen opdoen waarover je met je partner kunt praten.

Relatie

Ik heb zoals gezegd 7 jaar een relatie met mijn vriendin, en heb daarvoor een evenzolange relatie gehad met het meisje dat nu mijn beste vriendin is. Wij hebben ervoor gekozen om (op dit moment) niet samen te wonen, omdat het ons allebei de ruimte geeft om ons ook individueel (of eventueel met andere mensen dan elkaar) te kunnen ontplooien. Daarnaast hebben we de opvatting dat er binnen onze relatie een bepaalde ruimte is om ook intieme en duurzame relaties met anderen aan te gaan. Het is iets wat ons veel stof geeft om over na te denken en te praten, wat er weer toe leidt dat we elkaar heel goed kennen. Het is fascinerend om met je partner alle facetten van verlangen te kunnen delen, maar het stuit desalniettemin op veel onbegrip bij anderen. Wanneer ga je trouwen?

Vestigingsplaats

Ik woon in Nijmegen. Zeven jaar geleden verhuisde ik naar deze stad, en het is de beste beslissing die ik ooit heb genomen. Nooit eerder heb ik me zo in mijn element gevoeld met mijn mijn omegeving als hier. De stad is klein en dorps genoeg om overzichtelijk te blijven, maar groot genoeg voor een rijk aanbod aan cultuur en faciliteiten. De sfeer is er onverbloemd pluizig links. De aanwezigheid van de Universiteit straalt af op het gastronomische en culturele aanbod, en op de prijzen. En de academische omgeving maakt dat er altijd interessante lezingen of debatten zijn waarbij geinteresseerden ook welkom zijn. Ik ben voorlopig niet van plan om te verhuizen, dat heb ik ook niet gedaan toen ik werkte in Hilversum of Amsterdam, en dagelijks enkele uren met de trein onderweg was. Het gaf me de tijd om de krant te lezen (iets wat ik anders thuis op de bank had gedaan). Sommige mensen kunnen hun onbegrip over deze situatie niet onderdrukken, een emotie die waarschijnlijk vergelijkbaar is met wat ik voel als mensen zeggen dat ze in een inspiratieloos forensendorp zijn gaan wonen, omdat dat zo lekker dicht bij het werk is.

Structuur

Hoewel ik vind dat mijn leven een zeer duidelijk structuur omvat, uit zich dat niet in de dagelijkse gewoontes die bij veel mensen wel een vast onderdeel van hun leefritme vormen. Het enige element waarvoor ik aan een structureel ritme vasthoud is mijn werk, op moment dat ik niet vanuit huis maar op kantoor werk. Maar ik heb niet altijd veel slaap nodig, en hecht bovendien niet bijzonder aan koken, waardoor zaken als slaap en eten vrij flexibel over de dag kunnen worden geschoven. Kortgezegd: ik slaap als ik moe ben en eet als ik honger heb. Ik geniet van de rust van de nacht, en beschouw het als een uitgekiend moment voor een heerlijke wandeling langs de Waal of voor het rustig kunnen uitlezen van een boek. Ik zou het jammer vinden als ik deze vrijheid zou moeten opgeven, omdat mijn leefritme van invloed zou zijn op dat van anderen.

Huis, Auto

Ik heb een bescheiden 3-kamerflat in het centrum van Nijmegen. Het is niet groot, maar het is gelegen op het mooiste plekje in de stad dat je je kunt wensen, met een direct uitzicht op de gotische toegangspoorten van de Sint Stevenskerk. Maar nee: geen tuin. En nee: geen balkon-dat-de-naam-mag-hebben. En nee: ik kan er geen serre aanbouwen. Nee, ook geen nieuwe schuifdeuren. Nee, ik heb niet nagedacht over een nieuwe kleur voor de kozijnen. Het verbaast me hoe de aanschaf van een huis, en vooral de plannen die vervolgens gemaakt worden om dat huis op alle mogelijke manieren te veranderen, tot de de-facto projecten van veel 30-ers verworden. Drie meter extra parket kunnen leggen lijkt een niet te onderschatte factor te zijn in het levensgeluk, en het voornaamste gespreksonderwerp met de partner. Oh, en nee: ik heb geen auto. Ook geen rijbewijs.

De idee “Liefde” – Of: De reikwijdte van verbintenis

Wie zich openstelt voor het waarnemen van sociale constructies in onze maatschappij, zal merken dat het gebruik van de term “liefde” voor hem of haar een bron kan worden van grote verbazing en irritatie. De volstrekte vanzelfsprekendheid waarmee in populaire cultuur een verband wordt gelegd tussen de kwaliteit van de relatie (de “liefde”) en een zeer specifiek idee van de invulling van relaties is opmerkelijk. Dat daarbij vaak alle vormen van niet-conventionele relaties worden veroordeeld uit naam van de “liefde” is een belediging voor het rijke palet aan emoties van de mens, en de capaciteiten die hij heeft om verbintenissen aan te gaan.

Het is goed om te beseffen wat “liefde” is, en of het in die abstracte zin eigenlijk wel bestaat. Want een al te strakke definitie beperkt mensen in de opties die zij de revue laten passeren, op het moment dat zij zelf over de invulling van hun relatie nadenken.

Status-quo

Wanneer je je openstelt voor een frisse kijk op menselijke relaties, dan valt het je pas op hoe onze maatschappij (en de daarbij behorende populaire cultuur) verweven zijn van veronderstellingen, aannames en “status-quo’s” rond dit thema. Is dat erg, vraag je je misschien af. Ik ben geneigd om te stellen dat een verkeerd gebruik van begrippen en definities inderdaad tot problemen en onbegrip kan leiden. Onze taal is doorspekt met begrippen die iedereen lijkt te gebruiken om bepaalde aannames aan te duiden, zonder dat aan de spreker wordt gevraagd wat hij of zij er nu precies mee bedoelt.

Het meest misbruikte woord in deze context is zonder twijfel “liefde”. Het is opmerkelijk om te beseffen hoe vaak dat woord wordt ingezet, om een niet-benoemd, maar desalniettemin zeer strak ethisch afgebakend kader aan te geven. Mensen die dit woord gebruiken staan hier zelf vaak niet eens bij stil. Een en ander wordt helemaal interessant als we ons afvragen of zoiets als “liefde”, en dan bedoel ik het begrip liefde zoals dat in de romantische context wordt gebruikt, überhaupt wel bestaat.

Ik ben steeds meer van overtuigd dat romantische liefde een sociale constructie is, die geleidelijk in het leven is geroepen om een aantal emoties, gevoelens en lusten te koppelen aan gewenst sociaal gedrag. En dat is een proces dat dermate subtiel verlopen is, dat mensen op dit moment de elementen die een rol spelen binnen dat begrip “liefde”, gelijk zijn gaan stellen aan het begrip “liefde” zelf.

Exclusiviteit

De aantrekking tussen twee personen die de aanleiding vormt tot een liefdesrelatie, heeft vrijwel altijd zijn oorsprong in een seksueel oordeel. Merk op dat dit niet eens expliciet een verlangen naar seksuele handelingen hoeft te betreffen, maar elke fysieke fascinatie is in beginsel wel tot seksuele aantrekking te herleiden. Van haar mooie ogen tot zijn lieve lach. Hoewel sommige mensen desgevraagd een uitbundige definitie geven van “liefde” in een poging dit gegeven te ontkrachten, zijn het dezezelfde mensen die zonder een spier te vertrekken spreken van “liefde op het eerste gezicht”.

Wanneer de seksuele fascinatie wederzijds blijkt te zijn, staan de betrokkenen ervoor open elkaar ook op andere vlakken leren kennen. Dit proces hoeft overigens niet altijd strikt volgens bovenstaande chronologie te verlopen: mensen die op een bepaald moment een seksuele aantrekking voelen waarderen elkaar vrienschappelijk wellicht al langer. Desondanks wordt er pas vanaf het moment dat er sprake is van seksualtieit gesproken van liefde. Beide partijen namen het woord “liefde” eerder niet in de mond.

Het is dus de seksualiteit die voor veel mensen de liefde afbakent van vriendschap. En met dat omarmen van de ideeën rond het concept liefde komen dan meteen een reeks, vaak onbewuste, ethische aannames om de hoek kijken. Ik heb vaak geprobeerd vast te stellen wanneer seks en vriendschap dan zouden verworden tot “liefde”, en daarbij stel ik me in het bijzonder de vraag: is op dat raakvlak überhaupt wel sprake van een afzonderlijke emotie die met “liefde” is aan te duiden?

De inzet van Liefde

Volgens mij is er in de “liefde” sprake van een groot aantal oprechte en diepe emoties en intenties. Maar die emoties en intenties hebben ieder bestaansrecht op zichzelf. Zaken als vertrouwen, betrokkenheid, het delen van verdriet en geluk, aandacht en wat dies meer zij, zijn ook allemaal voorhanden in een vriendschap. Ze zijn geen exclusieve gevoelens en intenties voor een romantische liefde.

Wanneer seksuele interesse wordt beantwoord, en bij betrokken partijen is sprake van bovengenoemde emoties en intenties, dan spreken veel mensen van liefde. En voor het leeuwendeel van hen is daarbij ook meteen duidelijk wat er van beide betrokkenen, én van de buitenwereld, verwacht wordt ten aanzien van de relatie. De hoeveelheid tijd die bijvoorbeeld met de liefdespartner wordt doorgebracht ten opzichte van andere mensen. Of het gegeven dat de seksualiteit voortaan exclusief tussen beide partners plaatsvindt.

Voor veel mensen zijn dit voor de hand liggende gevolgen, maar het zijn desalniettemin wel sociale constructen. Immers: de meeste mensen hebben de ervaring dat ze in staat zijn om meerdere intieme emotionele verbintenissen met verschillende personen te onderhouden (vriendschappen), en daarnaast kennen veel mensen ook het seksuele verlangen dat verschillende personen op verschillende momenten los kunnen maken. Veel mensen zijn geneigd om te stellen dat men zich aan vriendschappen vrij te goed mag doen, maar dat de seksualiteit beperkt blijft tot de partner. Toch zullen deze mensen zeggen dat het de “liefde” is die hen tot een stel maakt, en niet de seksuele exclusiviteit.

Verbintenis

Iedereen weet hoe bevredigend diepgaande emotionele vrienschappen met anderen kunnen zijn, en de meeste mensen zijn ook overtuigd van het plezier van lichamelijk samenzijn. Het is de combinatie die “liefde” is gedoopt, en waarvan de exclusieve verbintenis zo stellig in het collectieve bewustzijn van mensen is opgeslagen, dat ze denken dat beide elementen buiten de context van “liefde” alleen los van elkaar voorkomen.

En daarmee komen we bij de crux van dit betoog: Deze mensen denken dat het aangaan van meerdere seksuele contacten per definitie inhoudt dat er voor het complemetaire element van liefde, namelijk vriendschap en verbintenis, in deze gevallen geen sprake kan zijn. Een kolosale misvatting.

Het is júist die combinatie van emotionele en lichamelijke overgave die menselijk contact tot nieuwe hoogtes kan stuwen. Uiteraard kan er in sommige gevallen sprake zijn van een sexueel contact waarbij de nadruk van beide betrokkenen vooral op het lustelijke samenzijn ligt. Dat soort losse seksuele contacten is natuurlijk prima. Maar het is geen voorwaarde voor het kunnen laten slagen van additionele seksuele contacten binnen een relatie.

Ik zou juist willen pleiten voor diepe verbintenissen tussen mensen. Een open instelling ten aanzien van het aangaan van andere relaties maakt dit mogelijk. Zoals we hierboven zagen is “liefde” vooral een set afspraken, voor wat betreft de tijd die mensen met elkaar doorbrengen en de verantwoordelijkheden en verwachtingen die ze ten aanzien van elkaar hebben. En juist op dat vlak zit veel meer flexibiliteit dan veel mensen zich realiseren.

Ideeën herzien

Allerlei praktische zaken kunnen de betrokkenen onderling afstemmen. Het loslaten van voormalige constructen (en bijvoorbeeld ideeën over wat “eerlijk” is), kunnen bijvoorbeeld inhouden dat de tijd niet strict evenredig tussen de partners verdeeld hoeft te worden. Maar die praktische afspraken houden niet in dat iemand zich minder betrokken mag voelen. Of minder geliefd. Het mooie van een poly-relatie is nu juist de mogelijkheid om wél gevoelens te mogen uiten naar een ander, en belangrijk: om die gevoelens beantwoord te mogen krijgen. En ja: daar komen ook verwachtingen en verantwoordelijkheden bij kijken. De additionele relaties kunnen dan ook als volwaardige relaties worden beschouwd.

De meeste mensen in poly-relaties hechten grote waarde aan de diepe, intieme, emotionele en duurzame band die mensen in een relatie met elkaar kunnen opbouwen. Het is juist uit bewondering en ontzag voor dat idee dat zij die ervaring vaker willen meemaken – en: delen.

Het is opmerkelijk hoe vaak er vanuit conservatieve hoek stelling wordt genomen tegen dit soort altenatieve relatievormen met het verwijt dat het onmogelijk moet zijn dat hier sprake is van “echte liefde”: dat ene, mythische, ongedefiniëerde gevoel wat klaarblijkel uitsluitend tussen twéé mensen op wonderlijke wijze tot stand kan worden gebracht.

Waarom een seksueel open relatie een leukere partner oplevert

We stelden eerder vast dat monogamie met veel mythes wordt omgeven, en dat de traditionele exclusieve relatievorm helemaal niet zo “logisch” blijkt te zijn als vaak wordt verondersteld. In het artikel Tweede persoon meervoud – Of: een hernieuwde kijk op relaties betoog ik waarom het fijn is om een aanvullende relatie te hebben. Het artikel beschouwt een dergelijke poly-verbond vanuit het oogpunt van degene die een aanvullende relatie aangaat.

Maar misschien is het ook interessant om eens te kijken naar wat de voordelen zijn als niet jíj, maar je partner een seksueel contact met een ander onderhoudt.

Een en ander komt terug op het voor jezelf beantwoorden van de vraag: wat is voor mij een relatie? Ikzelf zie het hebben van een relatie als het hebben van een heel bijzonder verbond met iemand, iemand met wie ik parallel door het leven wil wandelen. Iemand met wie ik alle grote gebeurtenissen wil delen. Iemand waarvan ik weet dat die er altijd voor me zal zijn, hetzij in fysieke nabijheid, hetzij op andere manieren. Maar bovenal: iemand met wie ik zo veel mogelijk ervaringen, gevoelens en gedachtes wil delen. Iemand die mij inspireert, iemand die mij opstuwt. Iemand die me blijft boeien en prikkelen.

Het ligt, wat mij betreft, voor de hand dat hoe meer ruimte iemand krijgt, hoe groter zijn mogelijkheden zijn om van de wereld om zich heen te proeven. Hoe meer die ander een ander is, hoe meer er is om je aan te laven. Merk op dat het omgedraaide natuurlijk ook geldt: hoe meer de levens van beide partners met elkaar verweven zijn, hoe minder “ander” er zal overblijven. Voor sommige mensen is dat misschien prettig. Voor anderen, en het moge duidelijk zijn dat is mezelf daartoe reken, is het dodelijk voor de inspiratie die ze uit de relatie willen halen.

Er zijn mensen die binnen hun relatie zo veel mogelijk zaken samen willen delen. Ze lezen dezelfde boeken, kijken dezelfde tv-programma’s, hebben dezelfde vrienden, bezoeken dezelfde uitgaansgelegenheden. Sommigen wonen zelfs in hetzelfde huis! Ik kan me voorstellen dat het in dergelijke situaties heel moeilijk is om je door je partner te laten verrassen met nieuwe inzichten of ervaringen. Je was er immers vrijwel altijd bij. (Een veelgekozen work-around rond dit probleem is het oppikken van gemeenschappelijke projecten. Het verven van de buitenkozijnen bijvoorbeeld. Of het opvoeden van een kind.)

Niets verschaft mij meer genot dan met mijn vriendin urenlang liggen praten. Vaak heeft een van ons een interessant geprek gehad, of iets opvallends gelezen. Of hebben we nagedacht over een vorig gesprek, en bleek er nog genoeg stof te zijn om op terug te komen.

De momenten waarop ik mij het diepste verbonden voel met mijn partner, zijn die momenten waarop ik het gevoel heb dat we elkaars intiemste emoties kunnen delen. En een van die emoties dat van seksueel verlangen. Hoe minder dan beknot wordt, en hoe meer het geuit mag worden, hoe “seksueler” mijn partner wordt.

Ik vind het ontzettend mooi om te zien dat mijn partner zich bewust is van haar seksualiteit. Het maakt haar een ongelofelijk prikkelende persoonlijkheid als ze de wereld om zich heen, en de actoren die daarbinnen rondlopen, ook op een seksuele manier ziet. In een seksuele context wil ik mijn partner zien als een seksueel wezen. Niet als seksmaatje dat binnen de relatie nu eenmaal voorhanden is.

Zoals gezegd denk ik dat het verbond tussen beide partners er idealiter een is waarbinnen een uitwisseling van inspirerende gedachtes en prikkelende emoties plaatsvindt. De emoties en verlangens (en uiteindelijk: seksuele ervaringen) die je partner heeft ten aanzien van iemand anders kunnen een geweldig uitgangspunt zijn voor zulke intimiteit. Cruciaal hierbij is het feit dat de ene partner zich hoogstwaarschijnlijk goed kan inbeelden hoe de andere partner dat seksuele verlangen ervaart. Hij kent het gevoel, weet wat de impact is, en kan zich dus voorstellen hoe euforisch zijn partner zich moet voelen. En dát is dan weer precies wat de relatie tot de relatie maakt: het kunnen delen van de intiemste gevoelens en verlangens met de ander, én het de ander gunnen van geweldige ervaringen.

Het hebben van een seksueel vrije relatie betekent dat de andere partner zich in elk geval minder hoeft te bekommeren om eventuele gevolgen voor de relatie wanneer er sprake is van seksueel contact met, of zelfs maar van een gevoel van aantrekking tot, een ander. Hoewel persoonlijke ervaringen uiteraard geen garantie zijn voor anderen (of zelfs voor onszelf in andere omstandigheden), is het mijn ervaring dat een verliefd persoon die zich niet hoeft te bekommeren om het “ontzien” van zijn partner, maar er in tegendeel heerlijk aan kan toegeven en er uitgebreid over mag vertellen, een véél ontspannender, leuker en vrolijk persoon is.

Ik zie graag dat mijn partner weet “wat het leven te koop heeft”, en zich volledig kan richten op het eruit halen wat er voor haar in zit.

Ik krijg het maar niet voor elkaar om te begrijpen waarom mensen beweren in hun partner “de ware liefde” te hebben gevonden, maar dat diezelfde “ware liefde” geen grijpstuiver blijkt waard te zijn als de partners uit elkaar gaan omdat de een met een ander intiem is geweest. Beslissingen als deze zijn buitenproportioneel, en de gevolgen immens. Het monogame streven als grootste bron van persoonlijk leed. Ik mag hopen dat mijn partner hoogst beledigd zou zijn als ik alles wat ik met haar deel en ooit heb gedeeld, alles!, ondergeschikt maak aan haar toegeven aan seksuele lusten, die (op zijn minst) twee personen erg fijne momenten hebben bezorgd, en die verder niemand hebben geschaad.

De mythes rond monogamie

Ik geloof dat het streven naar monogamie een van de grootste persoonlijke destructieve elementen is in onze huidige samenleving. Sterker: het monogame ideaal is waarschijnlijk de belangrijkste veroorzaker van persoonlijk leed voor onvoorstelbaar grote aantallen mensen. Hoe komt het dan toch dat mensen blijven vasthouden aan dit streven?

Er zijn verschillende oorzaken aan te wijzen die aan dit gedrag ten grondslag liggen.

– De voornaamste reden is dat veel mensen zich niet realiseren dat de manier waarop wij zaken in het leven vormgeven niet vaststaat. Zij zijn er bijvoorbeeld van overtuigd dat bepaalde zaken een “natuurlijke” of “biologische” aard hebben.
– Ze verwijzen naar emoties als jaloezie, zonder die te duiden, als “bewijs” voor de natuurlijke orde der dingen.
– Ze zijn ervan overtuigd dat de dominante relatievorm in onze maatschappij het gevolg is van wat het beste “werkt”, en beschouwen het afwijken hiervan als onnodige rebellie.
– Ze zijn intellectueel niet in staat zelf oorspronkelijk inhoud te geven aan hun definitie van relaties en dus conformeren ze zich aan de norm.

Ik wil bovenstaande punten even kort te behandelen, om aan te geven dat ze stuk voor stuk gemakkelijk te weerleggen zijn.

Mythe 1: monogamie is natuurlijk

Aanhangers van de “natuurlijk gedrag”-theorie beroepen zich altijd op het opvoeden van kinderen als reden voor het streven naar monogamie in een relatie. Niet zelden wordt daarbij ook het aloude mantra aangehaald: de vrouw blijft thuis bij de kinderen, de man zorgt voor voedsel, en om dat verbond niet in gevaar te brengen is het voor de hand liggend dat de mens streeft naar monogamie.

Het is wonderlijk om te moeten vaststellen hoe snel een gemakkelijk mensen verbindingen leggen die allesbehalve “vanzelfsprekend” zijn, maar daarentegen volledig cultureel zijn bepaald. Daarnaast blijkt hieruit hoe een diepgeworteld seksisme zich zelfs meester heeft kunnen maken van ons beeld van de oermens.

Het enige wat we objectief kunnen vaststellen is dat er een man en een vrouw benodigd zijn om het voortplantingsproces in gang te kunnen zetten. Hoe vervolgens de opvoeding van het kind wordt vormgegeven staat hiervan volledig los. Je kunt je voorstellen dat er een tijd of plek is waarbij een volledige (dorps)gemeenschap de zorg voor de kinderen op zich neemt, of dat er andere situaties denkbaar zijn waarin het niet alleen de beide biologische verwekkers zijn die de opvoeding van de kinderen op zich nemen. Het is bizar om te merken dat er mensen zijn die denken dat de mens voorzien is van een gen dat hem vier muren laat bouwen om er met partner en kinderen tussen te gaan zitten. En daar vervolgens ook meteen een maatschappelijke en seksuele moraal aan verbindt.

Mythe 2: jaloezie weerhoudt ons van poly-seksueel gedrag

Vervolgens wordt jaloezie door veel mensen aangehaald als “bewijs” voor een natuurlijk streven naar monogamie. Immers, is de redenering, over jaloeziegevoelens heb je geen controle, dus is het een signaal van je lichaam dat er iets onplezierigs plaatsvindt.

Ik zal de laatste zijn om de impact van jaloeziegevoelens te ontkennen. En ik zal ook niet snel durven beweren dat het eenvoudig is om vat te krijgen op deze gevoelens om ze vervolgens naar je hand te zetten. Jaloezie is pijnlijk.

Daarom is het jammer dat zo weinig mensen nadenken over wat jaloezie nu precies is, en waar die vandaan komt. Want jaloezie is een reactie van het lichaam op gevaar. Er worden stoffen aangemaakt die ervoor zorgen dat je alert bent. Maar waarom zouden we een boodschap van deze stofjes krijgen op het moment dat onze partner zich met een ander ingeeft? Wat is het gevaar waar ons lichaam ons op wijst?

Vanzelfsprekend is dat het risico om onze partner te verliezen. Wanneer je in een maatschappij bent opgegroeid die het aangaan met van een seksueel contact buiten de relatie bijna één-op-één gelijkstelt aan het einde van die relatie, dan is het inderdaad raadzaam om waakzaam te zijn voor wat betreft de buiten-relationele verlangens van je partner.

Bovendien is hier sprake van een vicueuze circel waarbij de jaloezie en het (verlangen naar) seksuele contacten buiten de relatie elkaar versterken. In onze oh-zo-moderne maatschappij is de buitenechtelijke wip hét thema in bijna alle cultuur-uitingen (denk aan tv, bladen, boeken, film). De lading die met het thema is omgeven is enorm. We koesteren het taboe. Maar een en ander leidt er natuurlijk niet bepaald toe dat dit status quo doorbroken wordt.

Mythe 3: monogamie is dominant omdat het het beste werkt

Het leven is een kralenketting van keuzes. Bij elke stap die je zet kun je ervoor kiezen om links of rechts af te slaan. Veel mensen gaan er aan voorbij dat dit ook voor zaken geldt waarbij het in eerste instantie lijkt dat er weinig of niets te kiezen valt.

Soms zijn de keuzes die mensen maken bij het vormgeven van hun leven zo alom dominant, dat het bijna lijkt dat hier geen sprake ís van keuze. Of men realiseert zich wel degelijk dat er sprake is van keuzevrijheid, maar dat het feit dat veel mensen dezelfde keuze maken betekent dat dat wel de beste keuze moet zijn.

Deze mensen gaan eraan voorbij hoe subtiel gewoontes zich meester kunnen maken van een cultuur. De vanzelfsprekendheid van bepaalde zaken maakt dat ze niet of nauwelijks ter discussie worden gesteld. De vorm waarin wij onze relaties gieten is daarvan een sprekend voorbeeld. Het is zó ongebruikelijk om van de geldende monogamie-norm af te wijken dat dit door sommigen als een statement van rebellie wordt beschouwd. En sommige mensen zit het niet hun aard om daarvan verdacht te willen worden, wat een reden kan zijn om zich -hoogstwaarschijnlijk onbewust- naar de norm te schikken.

Mythe 4: de betekenis van “relatie” staat vast

De manier waarop mensen het begrip relatie definiëren varieert enorm. Eerder schreef ik hierover het artikel Tweede persoon meervoud – Of: een hernieuwde kijk op relaties.

Ik denk dat mensen over een zekere intelligentie moeten beschikken (en de bereidheid om die te gebruiken) om na te kunnen denken over de vraag: wat is voor mij een relatie? En ik ben er ook van overtuigd dat er een verband is tussen de creativiteit en opties die daarbij de revu passeren en het intellectuele vermogen.

Niets is eenvoudiger voor het vormgeven van een relatie dan deze af te bakenen: dit kan en mag wel binnen de relatie, dat kan en mag niet binnen de relatie. Het heeft me altijd hoogst verbaasd dat er mensen zijn die hun relatie definiëren aan de hand van wat het niet is, namelijk: intimiteit met een ander. Alleen de ecxlusiviteit vormt de basis van de relatie. “Relatie-ception”, zogezegd.

Een kleine gniffel kan ik niet onderdrukken wanneer deze lieden dan ook het woord “trouw” in de mond nemen. Merk op: trouw betekent voor hen níet dat iemand zich als getrouw beschikbaar stelt, maar alleen maar dat een derde dat niet doet. Bizar.

Dat een seksueel open relatie wederzijds voordeel biedt, betoog ik in Waarom een seksueel open relatie een leukere partner oplevert.