De televisie van de toekomst en het belang van lineair programmeren

Er wordt veel gesproken over de toekomst van de televisie. Iedereen is het er over eens dat de scheidslijn tussen traditionele TV en het interactieve internet steeds verder zal verdwijnen. “Video-on-demand”, het in grote mate zelf kunnen samenstellen van het TV-aanbod door de kijker, speelt in de meeste van deze visies een grote rol. Hoewel ik denk dat interactiviteit een belangrijke component is van de televisie van de toekomst, verwacht ik dat ook het lineaire programmeer-model belangrijk blijft. Omdat het grote voordelen biedt voor zowel de kijkers als de aanbieders. En met name de publieke omroep zou hier baat bij hebben. In de discussie over de televisie van de toekomst wordt hier opmerkelijk genoeg weinig over gesproken.

De huidige situatie

De afgelopen jaren hebben verschillende initiatieven om het kijk-aanbod te verbreden en interactief aan te bieden het levenslicht gezien. Het aanbod ontsluit zich via een “set-top” box van de kabelmaatschappij, een geavanceerde spelcomputer als de XBox of een mediaspeler als de AppleTV.

Helaas is die markt op dit moment nogal gefragmenteerd. Logisch, want niet alleen dienen er een groot aantal technologische hobbels genomen te worden, ook in politiek opzicht is de televisiemarkt complex. Er zijn uitzendgemachtigden, producenten, kabelmaatschappijen, TV- en computerfabrikanten en tal van andere organisaties die ergens in de keten een rol spelen, en zij nemen niet zelden alleen hun eigen belang als maatstaf.

In het beste geval worden er overeenkomsten gesloten tussen sommige van deze partijen, die vaak uitmonden in lauwe compromissen. Zo zijn er beperkingen in het aanbod van on-demand programma’s en de duur waarvoor ze beschikbaar zijn, als gevolg van auteursrechtelijke politieke kwesties. En ook de wijze waarop het aanbod wordt aangeboden is vaak in handen van de laatste speler in de keten, in veel gevallen de kabelmaatschappij. Differentiatie drijft deze partijen tot het ontwikkelen van eigen, onderling afwijkende platforms, waardoor het voor de tv-organisaties en producenten heel lastig is om zich volledig op de ontwikkeling van een coherent interactief product te richten.

Hoe zou de televisie van de toekomst er volgens mij dan idealiter uit moeten zien?

Mediabedrijf vs. zender

Ik denk dat de lineaire TV-stations zoals we die op dit moment kennen op den duur inderdaad zullen verdwijnen. In de huidige situatie kennen we een aantal grote uitzendgemachtigden en mediabedrijven (in Nederland bijvoorbeeld de Publieke Omroep, RTL, SBS, MTV Networks en Discovery Networks), die elk een aantal zenders uitbaten, en daarnaast een interactief aanbod bieden uit hun programma-archief. Toch zijn het de “open kanalen” die het primaire gezicht vormen van de organisaties.

Het is lastig om de combinatie van zenders die een organisatie in zijn beheer heeft te presenteren als een coherent geheel. Immers: voor de kijker is het niet meteen duidelijk dat hij met een sprong van kanaal 6 naar kanaal 7 bij zo’n andere aanbieder terecht is gekomen. Bovendien valt de kijker altijd in één van de programma’s die op de zender worden aangeboden, er is geen connectie met het aanbod op de andere kanalen.

Ik denk dat op den duur het idee van de losse zenders in het aanbod van honderden, op het oog op zich zelf staande, kanalen zal verdwijnen, ten bate van een primaire indeling per tv-organisatie.

De kijker zal bij het inschakelen van zijn toestel niet langer terecht komen in de lopende programmering van één van de lineaire TV-kanalen, maar zal een keuze kunnen maken uit een overzicht van mediabedrijven (of, afhankelijk van de implementatie, direct terecht komen bij de laatst gekozen organisatie).

Nadat deze keuze is gemaakt, wordt de kijker een scherm voorgeschoteld waarop de aanbieder een overzicht kan tonen van het aanbod, zowel uit het on-demand archief als van -en daar kom ik later op terug- de beschikbare lineaire “kanalen”.

Standaardisatie

Het lijkt me belangrijk dat de verschillende partijen die nu bij de keten betrokken zijn, zoals kabel-aanbieders, fabrikanten van set-top boxen en mediabedrijven, met elkaar tot overeenstemming komen over de technische en inhoudelijke implementatie van een dergelijk systeem. Uiteraard kan een dergelijke specificatie op zo’n manier worden opgesteld dat het de kabelmaatschappij en hardwarefabrikant in zekere mate de vrijheid heeft hier zelf op door te ontwikkelen om zich zodoende te kunnen differentiëren van concurrenten. Maar in grote mate zal er moeten worden gedefinieerd welke informatie de tv-aanbieder beschikbaar stelt, om zodoende de fragmentatie zoals we die op dit moment kennen te vermijden.

Omdat de werelden tussen de TV en het (mobiele) internet vervagen, en er binnen mijn idee diverse koppelingen zijn tussen de traditionele TV-omgeving en het internet, ligt het voor de hand grotendeels van bestaande (web-)standaarden gebruik te maken. Dit maakt het aanbod in grote mate platform-onafhankelijk, en stelt kijkers bijvoorbeeld in staat om anderen via social media-kanalen op een programma te wijzen, zonder dat deze ontvangers over dezelfde (kabel-)aanbieder dienen te beschikken.

De interface

Hoe ziet de “interface”, het scherm dat de kijker van zo’n media-aanbieder krijgt voorgeschoteld, er dan uit? Ik kan me voorstellen dat de organisatie hier een grote mate van vrijheid heeft, maar dat de kijker hier in elk geval gewezen wordt op een selectie uit het on-demand aanbod. Er kunnen verschillende categorieën worden gepresenteerd waaruit de kijker een keuze kan maken, bijvoorbeeld geordend per thema.

Daarnaast zal er op zo’n welkoms-scherm een prominente plek worden ingeruimd voor het presenteren van het “live”-aanbod, en van de “kanalen”, daarover later meer.

De voordelen van een dergelijk scherm waarop een televisie-organisatie een kijker welkom heet zijn legio. Zo wordt veel beter duidelijk welke programma’s beschikbaar zijn, programma’s die traditioneel verspreid over verschillende zenders werden uitgezonden. Het biedt de aanbieder veel meer mogelijkheden om de kijker een voor hem of haar aantrekkelijk programma aan te bieden. Een kijker valt niet meer spontaan in een lopende uitzending. En het biedt de organisatie veel mogelijkheden voor branding en herkenbaarheid.

Het is evident dat een TV-kijker andere verwachtingen heeft bij het neerploffen op de bank, dan een kijken die gebogen over zijn bureau op het internet op zoek is naar videomateriaal. De bediening van de TV moet zo laagdrempelig mogelijk zijn. Er wordt veel gesproken over de versmelting van smartphone/tablet en de TV, maar mij lijkt dat een dergelijk “tweede scherm” nooit een vereiste moet zijn om de primaire functies van de TV te kunnen bedienen. Een eenvoudige afstandsbediening met daarop pijltjestoetsen en een activatieknop ligt voor de hand, voor geavanceerdere functies (zoals het kunnen zoeken op titels of trefwoorden) kan dan altijd de tablet als secundair bedieningsapparaat worden gebruikt.

Interactief

Interactie gaat een grote rol spelen bij de televisie van de toekomst. Voor zowel kijkers als aanbieders biedt het ongekende mogelijkheden. De afgelopen jaren is er geëxperimenteerd met het aanbieden van de mogelijkheid te interacteren met een TV-uitzending, waarbij de “rode knop” van Sky in Engeland misschien wel de bekendste is. Tijdens een commercial kan een gebruiker bijvoorbeeld op de knop drukken om een proefrit met een auto te boeken.

Dit is echter een alles behalve ideale gebruikerservaring. Zo loopt de uitzending van waaruit de kijker de interactie is aangegaan gewoon door en zal hij of zij dus een gedeelte van het programma missen, iets wat de bereidwilligheid om de interactieve elementen op te roepen danig verkleind. Maar bovendien zijn de vormen van aanvullend materiaal die hier geboden worden veelal beperkt zijn tot teksten en statische afbeeldingen, die veel beter tot hun recht komen via andere platforms, zoals op het tweede scherm. Deze interface leent zich bovendien beter voor het lezen van grotere hoeveelheden informatie of het invoeren van tekst dan het TV-scherm met zijn afstandsbediening.

“Visuele hyperlinks”

Op welke interactie zit de gebruiker dan wel te wachten? Ik denk dat de twee bovengenoemde problemen in elk geval aangepakt moeten worden. Op de eerste plaats moet een programma tijdelijk “pauzeren” op het moment dat de gebruiker het beeldscherm gebruikt voor interactieve elementen. En op de tweede plaats moeten de interactieve opties aansluiten bij de verwachtingen van iemand die voor een TV zit. En dat betekent dat die interactie vooral zou moeten verwijzen naar ander video-materiaal.

In het hierboven genoemde voorbeeld zou het bijvoorbeeld kunnen dat de commercial verwijst naar een uitgebreidere productfilm. Maar ook in tal van andere programma’s zou “bonus materiaal” aangeboden kunnen worden. Wanneer er in De Wereld Draait Door kort gesproken wordt over een schilderij, kan er verwezen worden naar een langere documentaire die over deze schilder beschikbaar is. Of wanneer er in Pauw & Witteman wordt gerefereerd aan een optreden van een politicus uit het verleden, kunnen deze beelden met een druk op de knop worden opgeroepen.

In het vroege stadium zal waarschijnlijk een additionele redactie de selectie van deze visuele hyperlinks op zich nemen. In een later stadium kun je je voorstellen dat ze hechter in het programma worden geïntegreerd, en kan de presentator de kijker bijvoorbeeld tijdens het programma op het extra video-materiaal wijzen.

Uiteraard hoeft het niet altijd zo te zijn dat de kijker op dat moment direct wil overschakelen naar het interactieve materiaal. Vergelijk dit met het lezen van een tekst op Internet, waarin diverse links naar andere pagina’s zijn aangebracht. Veel mensen zullen de links eventueel openen in een nieuw tabblad of ze opslaan voor latere referentie. Ook dit zal met de visuele links mogelijk zijn. Ze kunnen zodoende in een lijstje met “favorieten” (of zo je wil: je persoonlijke “playlist”) worden geplaatst, of worden doorgestuurd naar andere personen, bijvoorbeeld via social media.

Het belang van lineaire programmering

Ik wil de gelegenheid gebruiken om een lans te breken voor lineaire programmering. In vrijwel alle discussies over de toekomst van de televisie wordt hier nauwelijks over gesproken. Interactief en on-demand voeren de boventoon. Toch zijn er argumenten aan te voeren om het lineaire model ook in stand te houden.

Allereerst rijst de vraag of de kijker het niet gewoon heel prettig vind als zijn TV-avond grotendeels voor hem wordt samengesteld, zonder dat hij daar veel inspanningen voor hoeft te verrichten. Zelfs het wisselen van kanaal is in veel huishoudens een vorm van “interactie” die men tot een minimum wil beperken. De lineaire presentatie voorkomt de noodzaak voor de kijker om zich te verdiepen in het (ongetwijfeld omvangrijke) on-demand aanbod, iets wat met name ongewenst is in situaties waarin de TV “op de achtergrond” aanstaat. Het aanbieden van een lineair programma is dus op de eerste plaats gewoon een service naar de gebruiker.

Het programmeren van een TV-zender wordt door de betrokken personen soms als hogere wiskunde aangemerkt. Nauwkeurig wordt er een mix van programma’s bepaald, waarbij de kans het grootst is dat de kijker bij de zender “blijft hangen”. Voor commerciële partijen is het belang hiervan duidelijk: de kijker moet niet worden verleid over te schakelen naar het kanaal van een concurrent.

Maar met name de publieke omroep zou bijzondere aandacht moeten houden voor het lineaire programmeermodel. De omroepen hebben geen commercieel belang bij het vasthouden van kijkers, maar hebben stuk voor stuk wel hun motivaties om kijkers te interesseren voor een programma. Omdat ze de inhoud ervan belangrijk vinden, omdat ze een bepaalde levensvisie willen uitdragen, of simpelweg omdat ze de kijker met iets nieuws of belangwekkend in aanraking willen brengen. Omdat ze willen verheffen.

Veel programma’s op de publieke omroep die nu redelijk tot goed worden bekeken, zouden marginaliseren wanneer zij niet werden geprogrammeerd op brede, open kanalen met veel programma’s voor een groot publiek. Dergelijke programma’s zouden niet meer worden opgemerkt wanneer zij geen plaats krijgen op deze populaire zenders. Slechts een handjevol mensen weet ook de weg naar bijvoorbeeld de huidige themakanalen te vinden. Over het gevaar dat de publieke omroep verwordt tot de marginale Amerikaanse publieke omroep PBS, door bijvoorbeeld alle lichtere programma’s te schrappen, schreef ik twee jaar geleden een artikel op Joop.

Het televisiekanaal van de toekomst: de playlist

Maar hoe moeten die lineaire televisiekanalen er in de toekomst dan uitzien? Zoals gezegd denk ik dat we af moeten stappen van de lineaire kanalen als “primaire presentatie” van het aanbod van de mediabedrijven. Maar binnen het welkoms-scherm van de individuele organisaties zal nog wel ruimte moeten zijn voor lineair aanbod. Programma’s die vooraf in een aantrekkelijke volgorde zijn geplaatst door redacteuren die we voorheen “netmanagers” zouden noemen. In de vorm van afspeellijsten, of “playlists”, kunnen diverse programma’s achter elkaar geplaatst worden.

Dergelijke playlists kunnen worden samengesteld op basis van onderwerp (vergelijkbaar met de huidige themakanalen), maar er kunnen natuurlijk ook algemenere lijsten worden opgezet. Wanneer de terminologie “kanalen” wordt gebruikt voor deze afspeellijsten, en ze wat mij betreft namen als “Nederland 1” mogen dragen, is dat een groot voordeel voor wat betreft herkenbaarheid door de kijkers.

Dat een aantal van deze voorgeprogrammeerde kanalen ook kunnen worden “doorgezet” via de traditionele distributiemethoden, zoals analoge kabel of Digitenne, is een bijkomend voordeel dat de overgangsfase wellicht kan vergemakkelijken.

Uiteraard kan de gebruiker ook zelf playlists samenstellen, of dit doen op basis van suggesties van vrienden (via geïntegreerde social media-koppelingen). “Tivo”-achtige suggesties op basis van kijkgedrag behoren natuurlijk ook tot de mogelijkheden. Maar dit alles zal een aanvulling zijn op de redactioneel samengestelde “kanalen”.

De live-ervaring

Er is nog een groot voordeel van dergelijke playlists als aanvulling op het volledig interactieve video-aanbod wat ik nog niet genoemd heb, en dat is de mogelijkheid tot het bieden van een “live” ervaring.

Een playlist kan zijn opgebouwd uit aanbod uit het on-demand archief, maar dat is natuurlijk geen vereiste. Een programma kan ook live in een playlist worden geïnjecteerd. Nu liggen er een aantal programma’s voor de hand waarbij het live uitzenden grote voordelen met zich meebrengt, dan wel een must is. Denk aan journaals, actualiteitenprogramma’s, talkshows of talentenjachten en spelprogramma’s waaraan kijkers kunnen deelnemen.

Maar zelfs bij programma’s zonder dit gevoel van urgentie kan het handig zijn ze live uit te zenden. Al was het maar om de gezamenlijke kijkervaring en het bijbehorende gesprek bij de koffie-automaat in stand te houden. De aandacht voor en het succes van programma’s als Boer Zoekt Vrouw zijn mede gebaseerd op de gemeenschappelijke kijkervaring.

Niets weerhoudt een organisatie ervan om “nieuwe” programma’s vanaf een bepaald moment in een playlist te programmeren, het moment dus waarop het programma voor het eerst bekeken kan worden. Kijkers die later willen kijken kunnen dat alsnog doen via de on-demand functies, maar zij die bij de eerst mogelijke gelegenheid van het programma te genieten kunnen dat dus doen op hetzelfde moment als andere kijkers. Bovendien maakt dit ook een gemeenschappelijke real-time discussie via bijvoorbeeld Twitter of een specifieke applicatie op het tweede scherm mogelijk.

Conclusie

De wereld van de televisie schuift langzaam maar zeker op naar meer interactieve modellen, waarbij kijkers kunnen kiezen uit grote hoeveelheden on-demand aanbod. Ik heb willen uitleggen dat er toch een groot belang blijft bij het lineair programmeren van televisieuitzendingen, en dat dat belang in de discussie vaak onderbelicht blijft. Het biedt mogelijkheden voor de aanbieders, waarbij commerciële partijen en publieke omroepen ieder afwijkende -maar in beide gevallen valide- argumenten kunnen aandragen. Het is bovendien iets wat de tv-kijker is gewend, en wat de transitie van traditionele lineaire TV naar volledig interactieve TV danig kan vergemakkelijken.

Het staat buiten kijf dat veel van wat ik hier beschrijf voorlopig nog een utopie zal blijven. Al was het maar omdat er, zoals gezegd, zoveel verschillende spelers in de keten bij betrokken zijn, en omdat dat deze spelers niet altijd dezelfde belangen delen.

De publieke omroep moet zich blijven oriënteren op een dergelijke toekomst: een goede koppeling tussen het aanbod van de diverse omroepen en een dus zo aantrekkelijk mogelijk televisie-aanbod met visuele hyperlinks. Projecten om uitzendingen van de juiste meta-data te voorzien zijn al ruimschoots geïmplementeerd. De omroep doet er goed aan dergelijke zaken, waarvan de bruikbaarheid wellicht op het eerste oog niet zichtbaar is maar die van een ongekend groot belang zijn in de toekomst, te handhaven en te intensiveren. De televisie-organisatie met het rijkste maar vooral ook het zorgvuldigst onderling gekoppelde media-archief heeft straks de beste kaarten in handen.

Jorg Kennis is op Twitter te volgen via @JorgK

4 Responses to De televisie van de toekomst en het belang van lineair programmeren

  1. Dank Jorg,
    Leuk en prikkelend geschreven. Ik ben het op heel veel punten met je eens, maar vind alleen dat je op het gebied van de interface en bediening niet ver genoeg gaat. Er komt maar een apparaat voor in aanmerking, en dat is je mobieltje. Dat apparaat weet wat je leuk vindt, wat je vrienden kijken en is prima in staat als intelligente afstandbediening te fungeren. Dat kan het met vrienden meekijken ook versterken. Daarnaast denk ik dat personalisatie een veel belangrijkere rol zal gaan vervullen, denk aan automatische playlists dus. Aan een beginscherm met goede tips.

    Maar ik ben met je eens dat er een gedeelde (lineaire) ervaring zal blijven. Ik zal er eens over nadenken om ook eens op te schrijven hoe TV er in 2025 uit ziet.

  2. Jorg says:

    Hoi Erik. Bedankt voor je uitgebreide reactie.

    Ik vraag me af of er een moment komt dat de simpele afstandsbediening plaats zal maken voor een “afstandsbedieningsfunctie” in een ander, multi-purpose apparaat. Het aantal handelingen dat je moet verrichten voordat je, bijvoorbeeld, het volume op de tv kan aanpassen is dan gewoon te groot.

    Daarnaast is een touchscreen IMO niet geschikt als afstandsbediening voor een TV. Je ogen kunnen immers maar op één plek gericht zijn. Ruim 10 jaar geleden (ik werkte bij Philips) had ik een Pronto Pro, een geavanceerde remote met een kleurentouchscreen met de afmeting van een iPhone. De ervaring was verschrikkelijk, het gericht aanwijzen van scherm-elementen is gewoon te inspannend.

    Overigens denk ik wel, zoals ik in het artikel schrijf, dat het “tweede scherm” gebruikt kan worden voor geavanceerdere bediening, zoals zoeken op trefwoord, etc.

    Ik denk dus aan een eenvoudig apparaatje, met zoals gezegd maar een aantal knopjes. Uiteraard moeten we af van infrarood, en moet een en ander gestandaardiseerd worden tussen fabrikanten.

    (Ik schreef eerder trouwens dit over de Logitech Harmony http://corethinking.com/2009/04/18/why-the-perfect-universal-remote-will-never-exist-but-how-the-harmony-one-comes-close/ )

    Ik ben heel benieuwd naar jouw toekomstvisie, laat het me weten als je artikel klaar is!

  3. Wij komen er met een product binnen een half jaar op terug, zal ik dat dan beloven? 😉

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: