De televisie van de toekomst en het belang van lineair programmeren

Er wordt veel gesproken over de toekomst van de televisie. Iedereen is het er over eens dat de scheidslijn tussen traditionele TV en het interactieve internet steeds verder zal verdwijnen. “Video-on-demand”, het in grote mate zelf kunnen samenstellen van het TV-aanbod door de kijker, speelt in de meeste van deze visies een grote rol. Hoewel ik denk dat interactiviteit een belangrijke component is van de televisie van de toekomst, verwacht ik dat ook het lineaire programmeer-model belangrijk blijft. Omdat het grote voordelen biedt voor zowel de kijkers als de aanbieders. En met name de publieke omroep zou hier baat bij hebben. In de discussie over de televisie van de toekomst wordt hier opmerkelijk genoeg weinig over gesproken.

De huidige situatie

De afgelopen jaren hebben verschillende initiatieven om het kijk-aanbod te verbreden en interactief aan te bieden het levenslicht gezien. Het aanbod ontsluit zich via een “set-top” box van de kabelmaatschappij, een geavanceerde spelcomputer als de XBox of een mediaspeler als de AppleTV.

Helaas is die markt op dit moment nogal gefragmenteerd. Logisch, want niet alleen dienen er een groot aantal technologische hobbels genomen te worden, ook in politiek opzicht is de televisiemarkt complex. Er zijn uitzendgemachtigden, producenten, kabelmaatschappijen, TV- en computerfabrikanten en tal van andere organisaties die ergens in de keten een rol spelen, en zij nemen niet zelden alleen hun eigen belang als maatstaf.

In het beste geval worden er overeenkomsten gesloten tussen sommige van deze partijen, die vaak uitmonden in lauwe compromissen. Zo zijn er beperkingen in het aanbod van on-demand programma’s en de duur waarvoor ze beschikbaar zijn, als gevolg van auteursrechtelijke politieke kwesties. En ook de wijze waarop het aanbod wordt aangeboden is vaak in handen van de laatste speler in de keten, in veel gevallen de kabelmaatschappij. Differentiatie drijft deze partijen tot het ontwikkelen van eigen, onderling afwijkende platforms, waardoor het voor de tv-organisaties en producenten heel lastig is om zich volledig op de ontwikkeling van een coherent interactief product te richten.

Hoe zou de televisie van de toekomst er volgens mij dan idealiter uit moeten zien?

Mediabedrijf vs. zender

Ik denk dat de lineaire TV-stations zoals we die op dit moment kennen op den duur inderdaad zullen verdwijnen. In de huidige situatie kennen we een aantal grote uitzendgemachtigden en mediabedrijven (in Nederland bijvoorbeeld de Publieke Omroep, RTL, SBS, MTV Networks en Discovery Networks), die elk een aantal zenders uitbaten, en daarnaast een interactief aanbod bieden uit hun programma-archief. Toch zijn het de “open kanalen” die het primaire gezicht vormen van de organisaties.

Het is lastig om de combinatie van zenders die een organisatie in zijn beheer heeft te presenteren als een coherent geheel. Immers: voor de kijker is het niet meteen duidelijk dat hij met een sprong van kanaal 6 naar kanaal 7 bij zo’n andere aanbieder terecht is gekomen. Bovendien valt de kijker altijd in één van de programma’s die op de zender worden aangeboden, er is geen connectie met het aanbod op de andere kanalen.

Ik denk dat op den duur het idee van de losse zenders in het aanbod van honderden, op het oog op zich zelf staande, kanalen zal verdwijnen, ten bate van een primaire indeling per tv-organisatie.

De kijker zal bij het inschakelen van zijn toestel niet langer terecht komen in de lopende programmering van één van de lineaire TV-kanalen, maar zal een keuze kunnen maken uit een overzicht van mediabedrijven (of, afhankelijk van de implementatie, direct terecht komen bij de laatst gekozen organisatie).

Nadat deze keuze is gemaakt, wordt de kijker een scherm voorgeschoteld waarop de aanbieder een overzicht kan tonen van het aanbod, zowel uit het on-demand archief als van -en daar kom ik later op terug- de beschikbare lineaire “kanalen”.

Standaardisatie

Het lijkt me belangrijk dat de verschillende partijen die nu bij de keten betrokken zijn, zoals kabel-aanbieders, fabrikanten van set-top boxen en mediabedrijven, met elkaar tot overeenstemming komen over de technische en inhoudelijke implementatie van een dergelijk systeem. Uiteraard kan een dergelijke specificatie op zo’n manier worden opgesteld dat het de kabelmaatschappij en hardwarefabrikant in zekere mate de vrijheid heeft hier zelf op door te ontwikkelen om zich zodoende te kunnen differentiëren van concurrenten. Maar in grote mate zal er moeten worden gedefinieerd welke informatie de tv-aanbieder beschikbaar stelt, om zodoende de fragmentatie zoals we die op dit moment kennen te vermijden.

Omdat de werelden tussen de TV en het (mobiele) internet vervagen, en er binnen mijn idee diverse koppelingen zijn tussen de traditionele TV-omgeving en het internet, ligt het voor de hand grotendeels van bestaande (web-)standaarden gebruik te maken. Dit maakt het aanbod in grote mate platform-onafhankelijk, en stelt kijkers bijvoorbeeld in staat om anderen via social media-kanalen op een programma te wijzen, zonder dat deze ontvangers over dezelfde (kabel-)aanbieder dienen te beschikken.

De interface

Hoe ziet de “interface”, het scherm dat de kijker van zo’n media-aanbieder krijgt voorgeschoteld, er dan uit? Ik kan me voorstellen dat de organisatie hier een grote mate van vrijheid heeft, maar dat de kijker hier in elk geval gewezen wordt op een selectie uit het on-demand aanbod. Er kunnen verschillende categorieën worden gepresenteerd waaruit de kijker een keuze kan maken, bijvoorbeeld geordend per thema.

Daarnaast zal er op zo’n welkoms-scherm een prominente plek worden ingeruimd voor het presenteren van het “live”-aanbod, en van de “kanalen”, daarover later meer.

De voordelen van een dergelijk scherm waarop een televisie-organisatie een kijker welkom heet zijn legio. Zo wordt veel beter duidelijk welke programma’s beschikbaar zijn, programma’s die traditioneel verspreid over verschillende zenders werden uitgezonden. Het biedt de aanbieder veel meer mogelijkheden om de kijker een voor hem of haar aantrekkelijk programma aan te bieden. Een kijker valt niet meer spontaan in een lopende uitzending. En het biedt de organisatie veel mogelijkheden voor branding en herkenbaarheid.

Het is evident dat een TV-kijker andere verwachtingen heeft bij het neerploffen op de bank, dan een kijken die gebogen over zijn bureau op het internet op zoek is naar videomateriaal. De bediening van de TV moet zo laagdrempelig mogelijk zijn. Er wordt veel gesproken over de versmelting van smartphone/tablet en de TV, maar mij lijkt dat een dergelijk “tweede scherm” nooit een vereiste moet zijn om de primaire functies van de TV te kunnen bedienen. Een eenvoudige afstandsbediening met daarop pijltjestoetsen en een activatieknop ligt voor de hand, voor geavanceerdere functies (zoals het kunnen zoeken op titels of trefwoorden) kan dan altijd de tablet als secundair bedieningsapparaat worden gebruikt.

Interactief

Interactie gaat een grote rol spelen bij de televisie van de toekomst. Voor zowel kijkers als aanbieders biedt het ongekende mogelijkheden. De afgelopen jaren is er geëxperimenteerd met het aanbieden van de mogelijkheid te interacteren met een TV-uitzending, waarbij de “rode knop” van Sky in Engeland misschien wel de bekendste is. Tijdens een commercial kan een gebruiker bijvoorbeeld op de knop drukken om een proefrit met een auto te boeken.

Dit is echter een alles behalve ideale gebruikerservaring. Zo loopt de uitzending van waaruit de kijker de interactie is aangegaan gewoon door en zal hij of zij dus een gedeelte van het programma missen, iets wat de bereidwilligheid om de interactieve elementen op te roepen danig verkleind. Maar bovendien zijn de vormen van aanvullend materiaal die hier geboden worden veelal beperkt zijn tot teksten en statische afbeeldingen, die veel beter tot hun recht komen via andere platforms, zoals op het tweede scherm. Deze interface leent zich bovendien beter voor het lezen van grotere hoeveelheden informatie of het invoeren van tekst dan het TV-scherm met zijn afstandsbediening.

“Visuele hyperlinks”

Op welke interactie zit de gebruiker dan wel te wachten? Ik denk dat de twee bovengenoemde problemen in elk geval aangepakt moeten worden. Op de eerste plaats moet een programma tijdelijk “pauzeren” op het moment dat de gebruiker het beeldscherm gebruikt voor interactieve elementen. En op de tweede plaats moeten de interactieve opties aansluiten bij de verwachtingen van iemand die voor een TV zit. En dat betekent dat die interactie vooral zou moeten verwijzen naar ander video-materiaal.

In het hierboven genoemde voorbeeld zou het bijvoorbeeld kunnen dat de commercial verwijst naar een uitgebreidere productfilm. Maar ook in tal van andere programma’s zou “bonus materiaal” aangeboden kunnen worden. Wanneer er in De Wereld Draait Door kort gesproken wordt over een schilderij, kan er verwezen worden naar een langere documentaire die over deze schilder beschikbaar is. Of wanneer er in Pauw & Witteman wordt gerefereerd aan een optreden van een politicus uit het verleden, kunnen deze beelden met een druk op de knop worden opgeroepen.

In het vroege stadium zal waarschijnlijk een additionele redactie de selectie van deze visuele hyperlinks op zich nemen. In een later stadium kun je je voorstellen dat ze hechter in het programma worden geïntegreerd, en kan de presentator de kijker bijvoorbeeld tijdens het programma op het extra video-materiaal wijzen.

Uiteraard hoeft het niet altijd zo te zijn dat de kijker op dat moment direct wil overschakelen naar het interactieve materiaal. Vergelijk dit met het lezen van een tekst op Internet, waarin diverse links naar andere pagina’s zijn aangebracht. Veel mensen zullen de links eventueel openen in een nieuw tabblad of ze opslaan voor latere referentie. Ook dit zal met de visuele links mogelijk zijn. Ze kunnen zodoende in een lijstje met “favorieten” (of zo je wil: je persoonlijke “playlist”) worden geplaatst, of worden doorgestuurd naar andere personen, bijvoorbeeld via social media.

Het belang van lineaire programmering

Ik wil de gelegenheid gebruiken om een lans te breken voor lineaire programmering. In vrijwel alle discussies over de toekomst van de televisie wordt hier nauwelijks over gesproken. Interactief en on-demand voeren de boventoon. Toch zijn er argumenten aan te voeren om het lineaire model ook in stand te houden.

Allereerst rijst de vraag of de kijker het niet gewoon heel prettig vind als zijn TV-avond grotendeels voor hem wordt samengesteld, zonder dat hij daar veel inspanningen voor hoeft te verrichten. Zelfs het wisselen van kanaal is in veel huishoudens een vorm van “interactie” die men tot een minimum wil beperken. De lineaire presentatie voorkomt de noodzaak voor de kijker om zich te verdiepen in het (ongetwijfeld omvangrijke) on-demand aanbod, iets wat met name ongewenst is in situaties waarin de TV “op de achtergrond” aanstaat. Het aanbieden van een lineair programma is dus op de eerste plaats gewoon een service naar de gebruiker.

Het programmeren van een TV-zender wordt door de betrokken personen soms als hogere wiskunde aangemerkt. Nauwkeurig wordt er een mix van programma’s bepaald, waarbij de kans het grootst is dat de kijker bij de zender “blijft hangen”. Voor commerciële partijen is het belang hiervan duidelijk: de kijker moet niet worden verleid over te schakelen naar het kanaal van een concurrent.

Maar met name de publieke omroep zou bijzondere aandacht moeten houden voor het lineaire programmeermodel. De omroepen hebben geen commercieel belang bij het vasthouden van kijkers, maar hebben stuk voor stuk wel hun motivaties om kijkers te interesseren voor een programma. Omdat ze de inhoud ervan belangrijk vinden, omdat ze een bepaalde levensvisie willen uitdragen, of simpelweg omdat ze de kijker met iets nieuws of belangwekkend in aanraking willen brengen. Omdat ze willen verheffen.

Veel programma’s op de publieke omroep die nu redelijk tot goed worden bekeken, zouden marginaliseren wanneer zij niet werden geprogrammeerd op brede, open kanalen met veel programma’s voor een groot publiek. Dergelijke programma’s zouden niet meer worden opgemerkt wanneer zij geen plaats krijgen op deze populaire zenders. Slechts een handjevol mensen weet ook de weg naar bijvoorbeeld de huidige themakanalen te vinden. Over het gevaar dat de publieke omroep verwordt tot de marginale Amerikaanse publieke omroep PBS, door bijvoorbeeld alle lichtere programma’s te schrappen, schreef ik twee jaar geleden een artikel op Joop.

Het televisiekanaal van de toekomst: de playlist

Maar hoe moeten die lineaire televisiekanalen er in de toekomst dan uitzien? Zoals gezegd denk ik dat we af moeten stappen van de lineaire kanalen als “primaire presentatie” van het aanbod van de mediabedrijven. Maar binnen het welkoms-scherm van de individuele organisaties zal nog wel ruimte moeten zijn voor lineair aanbod. Programma’s die vooraf in een aantrekkelijke volgorde zijn geplaatst door redacteuren die we voorheen “netmanagers” zouden noemen. In de vorm van afspeellijsten, of “playlists”, kunnen diverse programma’s achter elkaar geplaatst worden.

Dergelijke playlists kunnen worden samengesteld op basis van onderwerp (vergelijkbaar met de huidige themakanalen), maar er kunnen natuurlijk ook algemenere lijsten worden opgezet. Wanneer de terminologie “kanalen” wordt gebruikt voor deze afspeellijsten, en ze wat mij betreft namen als “Nederland 1” mogen dragen, is dat een groot voordeel voor wat betreft herkenbaarheid door de kijkers.

Dat een aantal van deze voorgeprogrammeerde kanalen ook kunnen worden “doorgezet” via de traditionele distributiemethoden, zoals analoge kabel of Digitenne, is een bijkomend voordeel dat de overgangsfase wellicht kan vergemakkelijken.

Uiteraard kan de gebruiker ook zelf playlists samenstellen, of dit doen op basis van suggesties van vrienden (via geïntegreerde social media-koppelingen). “Tivo”-achtige suggesties op basis van kijkgedrag behoren natuurlijk ook tot de mogelijkheden. Maar dit alles zal een aanvulling zijn op de redactioneel samengestelde “kanalen”.

De live-ervaring

Er is nog een groot voordeel van dergelijke playlists als aanvulling op het volledig interactieve video-aanbod wat ik nog niet genoemd heb, en dat is de mogelijkheid tot het bieden van een “live” ervaring.

Een playlist kan zijn opgebouwd uit aanbod uit het on-demand archief, maar dat is natuurlijk geen vereiste. Een programma kan ook live in een playlist worden geïnjecteerd. Nu liggen er een aantal programma’s voor de hand waarbij het live uitzenden grote voordelen met zich meebrengt, dan wel een must is. Denk aan journaals, actualiteitenprogramma’s, talkshows of talentenjachten en spelprogramma’s waaraan kijkers kunnen deelnemen.

Maar zelfs bij programma’s zonder dit gevoel van urgentie kan het handig zijn ze live uit te zenden. Al was het maar om de gezamenlijke kijkervaring en het bijbehorende gesprek bij de koffie-automaat in stand te houden. De aandacht voor en het succes van programma’s als Boer Zoekt Vrouw zijn mede gebaseerd op de gemeenschappelijke kijkervaring.

Niets weerhoudt een organisatie ervan om “nieuwe” programma’s vanaf een bepaald moment in een playlist te programmeren, het moment dus waarop het programma voor het eerst bekeken kan worden. Kijkers die later willen kijken kunnen dat alsnog doen via de on-demand functies, maar zij die bij de eerst mogelijke gelegenheid van het programma te genieten kunnen dat dus doen op hetzelfde moment als andere kijkers. Bovendien maakt dit ook een gemeenschappelijke real-time discussie via bijvoorbeeld Twitter of een specifieke applicatie op het tweede scherm mogelijk.

Conclusie

De wereld van de televisie schuift langzaam maar zeker op naar meer interactieve modellen, waarbij kijkers kunnen kiezen uit grote hoeveelheden on-demand aanbod. Ik heb willen uitleggen dat er toch een groot belang blijft bij het lineair programmeren van televisieuitzendingen, en dat dat belang in de discussie vaak onderbelicht blijft. Het biedt mogelijkheden voor de aanbieders, waarbij commerciële partijen en publieke omroepen ieder afwijkende -maar in beide gevallen valide- argumenten kunnen aandragen. Het is bovendien iets wat de tv-kijker is gewend, en wat de transitie van traditionele lineaire TV naar volledig interactieve TV danig kan vergemakkelijken.

Het staat buiten kijf dat veel van wat ik hier beschrijf voorlopig nog een utopie zal blijven. Al was het maar omdat er, zoals gezegd, zoveel verschillende spelers in de keten bij betrokken zijn, en omdat dat deze spelers niet altijd dezelfde belangen delen.

De publieke omroep moet zich blijven oriënteren op een dergelijke toekomst: een goede koppeling tussen het aanbod van de diverse omroepen en een dus zo aantrekkelijk mogelijk televisie-aanbod met visuele hyperlinks. Projecten om uitzendingen van de juiste meta-data te voorzien zijn al ruimschoots geïmplementeerd. De omroep doet er goed aan dergelijke zaken, waarvan de bruikbaarheid wellicht op het eerste oog niet zichtbaar is maar die van een ongekend groot belang zijn in de toekomst, te handhaven en te intensiveren. De televisie-organisatie met het rijkste maar vooral ook het zorgvuldigst onderling gekoppelde media-archief heeft straks de beste kaarten in handen.

Jorg Kennis is op Twitter te volgen via @JorgK

Jachtseizoen op de publieke omroep lijkt geopend

Dit artikel is geschreven in september 2010, en verscheen eerder in de Volkskrant en op Joop.nl.

Van links tot rechts in het politieke spectrum lijken volksvertegenwoordigers over elkaar heen te buitelen met voorstellen om hard in te grijpen bij de publieke omroep. Positieve geluiden over het werk van de omroep, laat staan bemoedigende woorden om hier vooral mee door te gaan, blijven uit. Als liefhebber van discussieprogramma’s, drama-series, journalistieke documentaires en gedurfd en vernieuwend amusement verbaast me dat.

Het staat voor iedereen vast dat het toekomstige kabinet zich geconfronteerd ziet met fikse bezuinigingen. Als gedeeltelijk door belastinggeld gefinanciëerd instituut ontkomt dus ook de publieke omroep begrijpelijkerwijs niet aan een kritische analyse. Deze analyses zijn echter niet zelden gebaseerd op een gebrek aan feitenkennis.

Zo wordt er vaak gesproken over het vervangen van het huidige omroepbestel door een zogenaamd “BBC-model”. De gedachte hierachter is dat wanneer de omroepen verdwijnen, er zo veel overheadkosten kunnen worden geschrapt dat dit een flinke besparing zou opleveren. Helaas hebben deze mensen zich klaarblijkelijk niet de cijfers eigengemaakt. Volgens het finaniële rapport van de EBU (de overkoepelende organisatie van Europese omroepen) kost de BBC een Brit 77,04 euro per jaar. In het rijtje landen geordend naar kosten per hoofd van de bevolking vinden we Nederland pas op de 13e plaats, met 50,43 euro per persoon per jaar. Als we hier nog eens bij optellen dat de BBC als vrijwel enige Europese omroep ook nog een succesvolle inkomstenstroom heeft weten te genereren uit de verkoop van programma’s aan buitenlandse omroeporganisaties, dan kunnen we stellen dat de Nederlandse Publieke Omroep het helemaal zo slecht nog niet doet. Dat de landen op plaats 1 tot en met 12 niet over een pluriform omroepbestel beschikken maar toch meer kosten per persoon, laat ik voor het gemak dan zelfs even buiten beschouwing.

Sommigen pleiten zelfs voor het opheffen van de STER, om zo de publieke zenders volledig reclamevrij te maken, wederom analoog aan het BBC-model. Vreemd dat dit argument vaak klinkt uit de monden van dezelfde mensen die voorstander zijn van flinke kostenreductie bij de omroep. Het één lijkt met het ander in tegenspraak. Wanneer we ons realiseren dat de STER-reclame nooit tussen programma-onderdelen wordt uitgezonden, dat het STER-blok een voor de kijker zeer duidelijke scheiding tussen reclame en objectieve programma’s mogelijk maakt, en dat wettelijk is vastgesteld dat niet meer dan 10% van de zendtijd aan de STER mag worden verleend, zie ik niet in waarom het afschaffen van de STER bij zou dragen aan het financiëel hervormen van de omroep.

Laten we dan eens kijken naar wat er van de publieke omroep wordt verwacht. Mij lijkt het dat het informeren en verrijken van kijkers tot de kerntaken behoren. Informeren vindt uiteraard plaats via de journaaluitzendingen, maar ook in de actualiteitenrubrieken, discussieprogramma’s en talkshows. En niet alleen middels het verstrekken van feiten, maar ook door de interpretatie hiervan. De verschillende omroepen voorzien in dergelijke programma’s, waardoor de kijker zich kan laven aan een groot aantal verschillende opinies om zo zelf tot een gedegen mening te komen. Vervolgens dient de publieke omroep in mijn ogen voor het verrijken van het publiek. In intellectueel én cultureel opzicht. Bij de publieke omroep is plaats voor vele vormen van cultuur, van dramaseries die bijvoorbeeld voornamelijk uit spannende dialogen bestaan, via registraties van alternatieve popmuziek, tot documentaires over de levensloop van prominente sporters. Kennis wordt bijgespijkerd in programma’s op velerlei niveaus, van gedramatiseerde reportageseries over de toestand van de aarde en de invloed van de mens daarop, via taal- en kennisquizen tot geschiedenismagazines die het verleden van voormalige beschavingen blootleggen.

Veel critici staven hun argumenten door te pas en te onpas te roepen dat “Lingo en Boer zoekt vrouw” niet bij de publieke omroep thuishoren. “Dat kan net zo goed bij de commerciëlen”, heet het dan. Hoewel de commeriële aantrekkelijkheid van sommige amusementsprogramma’s van de publieke omroep nog valt te betwijfelen, hebben deze mensen hier ogenschijnlijk een punt. Maar zijn gaan voorbij aan twee zaken. Op de eerste plaats kunnen veel omroepen in een groot aantal lichtere amusementsprogramma’s toch een groot deel van hun waarden kwijt, zaken waarvan het allerminst duidelijk is of een commerciële omroep ze de zelfde prioriteit zou geven. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de aandacht voor diversiteit in de verschillende “human interest” programma’s van de NCRV. Vervolgens vergeten deze mensen dat het volledig schrappen van “licht verteerbare” TV op de publieke zenders zondermeer leidt tot een marginalisatie van het aanbod tot uitsluitend informatie en cultuur. Veel mensen zullen de weg naar deze zenders op den duur niet meer weten te vinden, waardoor de kans dat zij ook iets meepikken van de andere programma’s klein wordt. Een dergelijke situatie heeft zich in Amerika voorgedaan met de publieke omroep PBS, die slechts door een zeer selectieve groep mensen wordt bekeken, omdat alle vermaak zich op de grote commerciële networks afspeelt. De klacht dat de publieke omroep slechts de stem van de linkse, cultureel-onderlegde elite vertegenwoordigt wordt met een dergelijk besluit dus nog meer bewaarheid, en de bereidwilligheid van grote gedeelten van de bevolking om hier middels belastinggeld een bijdrage aan te leveren zal daardoor evenredig afnemen.

Als liefhebber van interessante TV-programma’s kom ik vrijwel dagelijks tijd te kort om het voor mij relevante aanbod van de publieke omroep tot me te kunnen nemen. Van lichte talkshows als De Wereld Draait Door (waarin naast zangers en sportlui ook regelmatig economen, politici en wetenschappers aanschuiven), via de documentaires en drama-series van Nederland 2, tot de verdiepende discussieprogramma’s als Knevel en Van de Brink of Pauw en Witteman: wanneer men zou willen zou de kritische, informatiehongeringe en cultureel geïnteresseerde TV-kijker de hele avond onder de pannen zijn. Hoewel de voormalige bestuurders van TV-zender Het Gesprek zich beklaagden over mogelijke oneerlijke concurrentie van de publieke omroep, lijkt er uit het falen van de zender in elk geval niet te kunnen worden opgemaakt dat er een grote commeriële markt is voor inhoudelijke televisie.

En hoe zit het dan met de omroepen in het publieke bestel? Zijn zij inderdaad slechts het fossiele exponent van een ooit tot op het bot verzuilde samenleving, en daarmee in de huidige tijd volledig irrelevant? Het staat buiten kijf dat er aan het profiel van veel omroepen in de loop van de afgelopen 80 jaar veel is veranderd. Zo hebben de christelijke omroepen als de KRO en de NCRV hun accent in veel programma’s verschoven naar aandacht voor mensen, hun onderlinge verschillen en wat ze bindt, en heeft de VARA haar strikt socialistische identiteit verschoven naar een progressief geluid. Dergelijke veranderingen zijn echter geen legitimatie om het omroepbestel als verouderd te beschouwen. Bij kranten hebben dezelfde veranderingen plaatsgevonden, neem alleen al de transitie van het Katholieke de Volkskrant naar een krant voor progressief Nederland. Als een krant niet meer uitsluitend de oorspronkelijke zuil vertegenwoordigt, neemt dat toch niet weg dat de toon van het blad, de mening van de redacteuren en columnisten en de keuze voor onderwerpen voor veel mensen redenen blijven om voor een specifieke krant te kiezen?

Hetzelfde geldt in mijn ogen voor de omroepen. In Nederland hebben we een uniek systeem. Het omroepbestel bestaat uit een groot aantal partijen die ieder vanuit hun eigen motivatie een bijdrage willen leveren aan het publieke televisieaanbod. Sommige vanuit een politieke of religieuze gedachte, andere uit pragmatische overwegingen om bepaalde groepen in de bevolking van vermakelijke en inhoudelijke televisie te voorzien. De “concurrentie” maakt dat zij goed beslagen ten ijs moeten treden met nieuwe programma-voorstellen tenijnde zich een plekje in het zendschema te bemachtigen, en de noodzaak om tot coherente, herkenbare horizontaal geprogrammeerde TV-kanalen te komen maakt dat zij op alle mogelijke manieren de samenwerking met elkaar zoeken. Het beste van twee werelden, dat getuigende de huidige situatie op de publieke kanalen tot vaak spannende, opmerkelijke, onderhoudende en informatieve televisie leidt.

Een manco in het systeem dat op dit moment veel omroepen parten speelt, is het gegeven dat het toekennen van de budgetten en in iets mindere mate het aantal uren dat een omroep mag uitzenden wordt vastgesteld op basis van het aantal leden. En vrijwel alle omroepverenigingen hebben te lijden onder dalende ledentallen. Enerzijds is dit het gevolg van de ontzuiling, waarbij een stem op het CDA en het lidmaatschap van de CNV niet langer automatisch inhoudt dat met ook lid wordt van de KRO. TV-kijkers richten zich ook niet langer uitsluitend of voornamelijk op hun “eigen” omroep, zij consumeren rijkelijk uit het brede aanbod van alle omroepen. Anderzijds speelt de puur pragmatische reden dat men voor programma-gegevens niet langer op het omroepblad wordt teruggeworpen. Internet en EPG’s (electronische programmagidsen op televisie) hebben die rol voor veel mensen overgenomen.

Het toekennen van zendtijd en budget zou in mijn ogen niet langer uitsluitend op ledenaantallen moeten worden gebaseerd. Ik kan me voorstellen dat de verdeling op basis van wenselijkheid wordt vastgesteld. Denk hierbij aan geselecteerde kijkerspanels. Hoewel ook in dit geval rekening moet worden gehouden met de toegankelijkheid van het bestel voor omroepen die zich nadrukkelijk (gedeeltelijk) op de behoeften van een minderheid in de bevolking richten, lijkt het idee tegemoet te komen aan de wens om meer draagvlak vor de publieke omroep te creëren. Met het verdwijnen van leden verwijnt ook een relatief beperkte inkomstenbron voor de omroep, maar gezien het feit dat een omroep met premium-geschenkjes vaak meer inversteert in nieuwe leden dan dat het ze oplevert (leden zijn nu eenmaal belangrijker bij de toekenning van zendtijd dan de inhoud van de omroepkas), is deze inkomstenbron relatief eenvoudig te compenseren.

Onder druk van de huidige politieke situatie en als gevolg van de uitgesproken wensen van een groot aantal politieke partijen, lijkt er een lichte paniek te zijn uitgebroken in Hilversum. Dat uit zich enerzijds door de wens om de bewustwording van het publiek met betrekking tot de betekenis van de publieke omroep te versterken. De camapgne “De publieke omroep vertelt jouw verhaal” moest leiden tot meer begrip en waardering, maar werd al snel het mikpunt van ridiculisering, niet in de laatste plaats door mensen “van binnenuit”, zoals Jeroen Pauw. Logisch, want het valt niet mee om de profielen van de zenders, de profielen van de omroepen én nu ook het profiel van de publieke omroep als geheel duidelijk te maken aan de kijkers. Dezelfde kijkers die vaak niet eens weten dat SBS6 en de AVRO niet dezelfde grootheden zijn.

Anderzijds zien we de paniek terug in de stroom van berichten uit Hilversum waarin omroepen aangeven met elkaar in gesprek te zijn om te komen tot fusies, of de intentie hiertoe hebben uitgesproken. Hoewel deze maand de nieuwe concessieperiode voor de publieke omroep aanbreekt waarbinnen zij normaliter vijf jaar zullen opereren, vrezen veel omroepen toch dat het nieuwe kabinet vroegtijdig het mes gaat zetten in de omroep. Met het uitspreken van de bereidwilligheid om eigenhandig het aantal omroepen te verminderen proberen zij de politieke en publieke opinie gunstig te stemmen. Echter, door de gehaastheid waarmee zij zich op dit moment uiten over het onderwerp, kan het voorkomen dat omroepen via de media volledig naast elkaar heen gaan praten. NOS-directeur Jan de Jong sprak tot grote ergernis van de andere omroepen over een situatie met nog maar drie omroepen, de VARA lonkt naar een fusie met de VPRO die op haar beurt weer meer ziet in een verregaande samenwerking, en ook de AVRO meldt alvast dat ze het opgaan in een conservatief TROS/Max-blok niet ziet zitten. Dit alles komt de beeldvorming niet ten goede, en wekt de indruk van verdeeldheid in Hilversum. Terwijl de publieke omroep nu juist met het tegendeel -een sterk coherent verhaal- gediend zou zijn.

Waarom klinkt er zo weinig waardering voor de omroep? Waarom uiten niet meer mensen hun zorg over het mogelijk verdwijnen van één (of zelfs twee) publieke zender(s), en daarmee een groot gedeelte van de programmering?

Ik hoop dat zowel bij het publiek als bij de diverse politieke partijen meer begrip en waardering ontstaat voor de publieke omroep. Ik heb willen aangeven dat de situatie bij de omroep lang niet zo zwartgallig is als vaak wordt verondersteld. Niet in financiëel opzicht, en zeker niet in creatief opzicht. Het zou politieke partijen sieren dat zij, wanneer zij -terecht- kijken naar besparingen die bij de publieke omroep kunnen worden doorgevoerd, ook willen meenemen van welk een groot belang de publieke omroep is voor een ontwikkeld land. Het uitsluitend vertrouwen op marktwerking en de hoop dat ook op die manier grote groepen van de bevolking kunnen worden bereikt met informatie, heterogene opinie en cultuur -zaken die essentiëel zijn voor participerend burgerschap- lijkt op de lange duur meer kwaad te doen dan een relatief beperkte financiële meevaller goed kan maken.