De televisie van de toekomst en het belang van lineair programmeren

Er wordt veel gesproken over de toekomst van de televisie. Iedereen is het er over eens dat de scheidslijn tussen traditionele TV en het interactieve internet steeds verder zal verdwijnen. “Video-on-demand”, het in grote mate zelf kunnen samenstellen van het TV-aanbod door de kijker, speelt in de meeste van deze visies een grote rol. Hoewel ik denk dat interactiviteit een belangrijke component is van de televisie van de toekomst, verwacht ik dat ook het lineaire programmeer-model belangrijk blijft. Omdat het grote voordelen biedt voor zowel de kijkers als de aanbieders. En met name de publieke omroep zou hier baat bij hebben. In de discussie over de televisie van de toekomst wordt hier opmerkelijk genoeg weinig over gesproken.

De huidige situatie

De afgelopen jaren hebben verschillende initiatieven om het kijk-aanbod te verbreden en interactief aan te bieden het levenslicht gezien. Het aanbod ontsluit zich via een “set-top” box van de kabelmaatschappij, een geavanceerde spelcomputer als de XBox of een mediaspeler als de AppleTV.

Helaas is die markt op dit moment nogal gefragmenteerd. Logisch, want niet alleen dienen er een groot aantal technologische hobbels genomen te worden, ook in politiek opzicht is de televisiemarkt complex. Er zijn uitzendgemachtigden, producenten, kabelmaatschappijen, TV- en computerfabrikanten en tal van andere organisaties die ergens in de keten een rol spelen, en zij nemen niet zelden alleen hun eigen belang als maatstaf.

In het beste geval worden er overeenkomsten gesloten tussen sommige van deze partijen, die vaak uitmonden in lauwe compromissen. Zo zijn er beperkingen in het aanbod van on-demand programma’s en de duur waarvoor ze beschikbaar zijn, als gevolg van auteursrechtelijke politieke kwesties. En ook de wijze waarop het aanbod wordt aangeboden is vaak in handen van de laatste speler in de keten, in veel gevallen de kabelmaatschappij. Differentiatie drijft deze partijen tot het ontwikkelen van eigen, onderling afwijkende platforms, waardoor het voor de tv-organisaties en producenten heel lastig is om zich volledig op de ontwikkeling van een coherent interactief product te richten.

Hoe zou de televisie van de toekomst er volgens mij dan idealiter uit moeten zien?

Mediabedrijf vs. zender

Ik denk dat de lineaire TV-stations zoals we die op dit moment kennen op den duur inderdaad zullen verdwijnen. In de huidige situatie kennen we een aantal grote uitzendgemachtigden en mediabedrijven (in Nederland bijvoorbeeld de Publieke Omroep, RTL, SBS, MTV Networks en Discovery Networks), die elk een aantal zenders uitbaten, en daarnaast een interactief aanbod bieden uit hun programma-archief. Toch zijn het de “open kanalen” die het primaire gezicht vormen van de organisaties.

Het is lastig om de combinatie van zenders die een organisatie in zijn beheer heeft te presenteren als een coherent geheel. Immers: voor de kijker is het niet meteen duidelijk dat hij met een sprong van kanaal 6 naar kanaal 7 bij zo’n andere aanbieder terecht is gekomen. Bovendien valt de kijker altijd in één van de programma’s die op de zender worden aangeboden, er is geen connectie met het aanbod op de andere kanalen.

Ik denk dat op den duur het idee van de losse zenders in het aanbod van honderden, op het oog op zich zelf staande, kanalen zal verdwijnen, ten bate van een primaire indeling per tv-organisatie.

De kijker zal bij het inschakelen van zijn toestel niet langer terecht komen in de lopende programmering van één van de lineaire TV-kanalen, maar zal een keuze kunnen maken uit een overzicht van mediabedrijven (of, afhankelijk van de implementatie, direct terecht komen bij de laatst gekozen organisatie).

Nadat deze keuze is gemaakt, wordt de kijker een scherm voorgeschoteld waarop de aanbieder een overzicht kan tonen van het aanbod, zowel uit het on-demand archief als van -en daar kom ik later op terug- de beschikbare lineaire “kanalen”.

Standaardisatie

Het lijkt me belangrijk dat de verschillende partijen die nu bij de keten betrokken zijn, zoals kabel-aanbieders, fabrikanten van set-top boxen en mediabedrijven, met elkaar tot overeenstemming komen over de technische en inhoudelijke implementatie van een dergelijk systeem. Uiteraard kan een dergelijke specificatie op zo’n manier worden opgesteld dat het de kabelmaatschappij en hardwarefabrikant in zekere mate de vrijheid heeft hier zelf op door te ontwikkelen om zich zodoende te kunnen differentiëren van concurrenten. Maar in grote mate zal er moeten worden gedefinieerd welke informatie de tv-aanbieder beschikbaar stelt, om zodoende de fragmentatie zoals we die op dit moment kennen te vermijden.

Omdat de werelden tussen de TV en het (mobiele) internet vervagen, en er binnen mijn idee diverse koppelingen zijn tussen de traditionele TV-omgeving en het internet, ligt het voor de hand grotendeels van bestaande (web-)standaarden gebruik te maken. Dit maakt het aanbod in grote mate platform-onafhankelijk, en stelt kijkers bijvoorbeeld in staat om anderen via social media-kanalen op een programma te wijzen, zonder dat deze ontvangers over dezelfde (kabel-)aanbieder dienen te beschikken.

De interface

Hoe ziet de “interface”, het scherm dat de kijker van zo’n media-aanbieder krijgt voorgeschoteld, er dan uit? Ik kan me voorstellen dat de organisatie hier een grote mate van vrijheid heeft, maar dat de kijker hier in elk geval gewezen wordt op een selectie uit het on-demand aanbod. Er kunnen verschillende categorieën worden gepresenteerd waaruit de kijker een keuze kan maken, bijvoorbeeld geordend per thema.

Daarnaast zal er op zo’n welkoms-scherm een prominente plek worden ingeruimd voor het presenteren van het “live”-aanbod, en van de “kanalen”, daarover later meer.

De voordelen van een dergelijk scherm waarop een televisie-organisatie een kijker welkom heet zijn legio. Zo wordt veel beter duidelijk welke programma’s beschikbaar zijn, programma’s die traditioneel verspreid over verschillende zenders werden uitgezonden. Het biedt de aanbieder veel meer mogelijkheden om de kijker een voor hem of haar aantrekkelijk programma aan te bieden. Een kijker valt niet meer spontaan in een lopende uitzending. En het biedt de organisatie veel mogelijkheden voor branding en herkenbaarheid.

Het is evident dat een TV-kijker andere verwachtingen heeft bij het neerploffen op de bank, dan een kijken die gebogen over zijn bureau op het internet op zoek is naar videomateriaal. De bediening van de TV moet zo laagdrempelig mogelijk zijn. Er wordt veel gesproken over de versmelting van smartphone/tablet en de TV, maar mij lijkt dat een dergelijk “tweede scherm” nooit een vereiste moet zijn om de primaire functies van de TV te kunnen bedienen. Een eenvoudige afstandsbediening met daarop pijltjestoetsen en een activatieknop ligt voor de hand, voor geavanceerdere functies (zoals het kunnen zoeken op titels of trefwoorden) kan dan altijd de tablet als secundair bedieningsapparaat worden gebruikt.

Interactief

Interactie gaat een grote rol spelen bij de televisie van de toekomst. Voor zowel kijkers als aanbieders biedt het ongekende mogelijkheden. De afgelopen jaren is er geëxperimenteerd met het aanbieden van de mogelijkheid te interacteren met een TV-uitzending, waarbij de “rode knop” van Sky in Engeland misschien wel de bekendste is. Tijdens een commercial kan een gebruiker bijvoorbeeld op de knop drukken om een proefrit met een auto te boeken.

Dit is echter een alles behalve ideale gebruikerservaring. Zo loopt de uitzending van waaruit de kijker de interactie is aangegaan gewoon door en zal hij of zij dus een gedeelte van het programma missen, iets wat de bereidwilligheid om de interactieve elementen op te roepen danig verkleind. Maar bovendien zijn de vormen van aanvullend materiaal die hier geboden worden veelal beperkt zijn tot teksten en statische afbeeldingen, die veel beter tot hun recht komen via andere platforms, zoals op het tweede scherm. Deze interface leent zich bovendien beter voor het lezen van grotere hoeveelheden informatie of het invoeren van tekst dan het TV-scherm met zijn afstandsbediening.

“Visuele hyperlinks”

Op welke interactie zit de gebruiker dan wel te wachten? Ik denk dat de twee bovengenoemde problemen in elk geval aangepakt moeten worden. Op de eerste plaats moet een programma tijdelijk “pauzeren” op het moment dat de gebruiker het beeldscherm gebruikt voor interactieve elementen. En op de tweede plaats moeten de interactieve opties aansluiten bij de verwachtingen van iemand die voor een TV zit. En dat betekent dat die interactie vooral zou moeten verwijzen naar ander video-materiaal.

In het hierboven genoemde voorbeeld zou het bijvoorbeeld kunnen dat de commercial verwijst naar een uitgebreidere productfilm. Maar ook in tal van andere programma’s zou “bonus materiaal” aangeboden kunnen worden. Wanneer er in De Wereld Draait Door kort gesproken wordt over een schilderij, kan er verwezen worden naar een langere documentaire die over deze schilder beschikbaar is. Of wanneer er in Pauw & Witteman wordt gerefereerd aan een optreden van een politicus uit het verleden, kunnen deze beelden met een druk op de knop worden opgeroepen.

In het vroege stadium zal waarschijnlijk een additionele redactie de selectie van deze visuele hyperlinks op zich nemen. In een later stadium kun je je voorstellen dat ze hechter in het programma worden geïntegreerd, en kan de presentator de kijker bijvoorbeeld tijdens het programma op het extra video-materiaal wijzen.

Uiteraard hoeft het niet altijd zo te zijn dat de kijker op dat moment direct wil overschakelen naar het interactieve materiaal. Vergelijk dit met het lezen van een tekst op Internet, waarin diverse links naar andere pagina’s zijn aangebracht. Veel mensen zullen de links eventueel openen in een nieuw tabblad of ze opslaan voor latere referentie. Ook dit zal met de visuele links mogelijk zijn. Ze kunnen zodoende in een lijstje met “favorieten” (of zo je wil: je persoonlijke “playlist”) worden geplaatst, of worden doorgestuurd naar andere personen, bijvoorbeeld via social media.

Het belang van lineaire programmering

Ik wil de gelegenheid gebruiken om een lans te breken voor lineaire programmering. In vrijwel alle discussies over de toekomst van de televisie wordt hier nauwelijks over gesproken. Interactief en on-demand voeren de boventoon. Toch zijn er argumenten aan te voeren om het lineaire model ook in stand te houden.

Allereerst rijst de vraag of de kijker het niet gewoon heel prettig vind als zijn TV-avond grotendeels voor hem wordt samengesteld, zonder dat hij daar veel inspanningen voor hoeft te verrichten. Zelfs het wisselen van kanaal is in veel huishoudens een vorm van “interactie” die men tot een minimum wil beperken. De lineaire presentatie voorkomt de noodzaak voor de kijker om zich te verdiepen in het (ongetwijfeld omvangrijke) on-demand aanbod, iets wat met name ongewenst is in situaties waarin de TV “op de achtergrond” aanstaat. Het aanbieden van een lineair programma is dus op de eerste plaats gewoon een service naar de gebruiker.

Het programmeren van een TV-zender wordt door de betrokken personen soms als hogere wiskunde aangemerkt. Nauwkeurig wordt er een mix van programma’s bepaald, waarbij de kans het grootst is dat de kijker bij de zender “blijft hangen”. Voor commerciële partijen is het belang hiervan duidelijk: de kijker moet niet worden verleid over te schakelen naar het kanaal van een concurrent.

Maar met name de publieke omroep zou bijzondere aandacht moeten houden voor het lineaire programmeermodel. De omroepen hebben geen commercieel belang bij het vasthouden van kijkers, maar hebben stuk voor stuk wel hun motivaties om kijkers te interesseren voor een programma. Omdat ze de inhoud ervan belangrijk vinden, omdat ze een bepaalde levensvisie willen uitdragen, of simpelweg omdat ze de kijker met iets nieuws of belangwekkend in aanraking willen brengen. Omdat ze willen verheffen.

Veel programma’s op de publieke omroep die nu redelijk tot goed worden bekeken, zouden marginaliseren wanneer zij niet werden geprogrammeerd op brede, open kanalen met veel programma’s voor een groot publiek. Dergelijke programma’s zouden niet meer worden opgemerkt wanneer zij geen plaats krijgen op deze populaire zenders. Slechts een handjevol mensen weet ook de weg naar bijvoorbeeld de huidige themakanalen te vinden. Over het gevaar dat de publieke omroep verwordt tot de marginale Amerikaanse publieke omroep PBS, door bijvoorbeeld alle lichtere programma’s te schrappen, schreef ik twee jaar geleden een artikel op Joop.

Het televisiekanaal van de toekomst: de playlist

Maar hoe moeten die lineaire televisiekanalen er in de toekomst dan uitzien? Zoals gezegd denk ik dat we af moeten stappen van de lineaire kanalen als “primaire presentatie” van het aanbod van de mediabedrijven. Maar binnen het welkoms-scherm van de individuele organisaties zal nog wel ruimte moeten zijn voor lineair aanbod. Programma’s die vooraf in een aantrekkelijke volgorde zijn geplaatst door redacteuren die we voorheen “netmanagers” zouden noemen. In de vorm van afspeellijsten, of “playlists”, kunnen diverse programma’s achter elkaar geplaatst worden.

Dergelijke playlists kunnen worden samengesteld op basis van onderwerp (vergelijkbaar met de huidige themakanalen), maar er kunnen natuurlijk ook algemenere lijsten worden opgezet. Wanneer de terminologie “kanalen” wordt gebruikt voor deze afspeellijsten, en ze wat mij betreft namen als “Nederland 1” mogen dragen, is dat een groot voordeel voor wat betreft herkenbaarheid door de kijkers.

Dat een aantal van deze voorgeprogrammeerde kanalen ook kunnen worden “doorgezet” via de traditionele distributiemethoden, zoals analoge kabel of Digitenne, is een bijkomend voordeel dat de overgangsfase wellicht kan vergemakkelijken.

Uiteraard kan de gebruiker ook zelf playlists samenstellen, of dit doen op basis van suggesties van vrienden (via geïntegreerde social media-koppelingen). “Tivo”-achtige suggesties op basis van kijkgedrag behoren natuurlijk ook tot de mogelijkheden. Maar dit alles zal een aanvulling zijn op de redactioneel samengestelde “kanalen”.

De live-ervaring

Er is nog een groot voordeel van dergelijke playlists als aanvulling op het volledig interactieve video-aanbod wat ik nog niet genoemd heb, en dat is de mogelijkheid tot het bieden van een “live” ervaring.

Een playlist kan zijn opgebouwd uit aanbod uit het on-demand archief, maar dat is natuurlijk geen vereiste. Een programma kan ook live in een playlist worden geïnjecteerd. Nu liggen er een aantal programma’s voor de hand waarbij het live uitzenden grote voordelen met zich meebrengt, dan wel een must is. Denk aan journaals, actualiteitenprogramma’s, talkshows of talentenjachten en spelprogramma’s waaraan kijkers kunnen deelnemen.

Maar zelfs bij programma’s zonder dit gevoel van urgentie kan het handig zijn ze live uit te zenden. Al was het maar om de gezamenlijke kijkervaring en het bijbehorende gesprek bij de koffie-automaat in stand te houden. De aandacht voor en het succes van programma’s als Boer Zoekt Vrouw zijn mede gebaseerd op de gemeenschappelijke kijkervaring.

Niets weerhoudt een organisatie ervan om “nieuwe” programma’s vanaf een bepaald moment in een playlist te programmeren, het moment dus waarop het programma voor het eerst bekeken kan worden. Kijkers die later willen kijken kunnen dat alsnog doen via de on-demand functies, maar zij die bij de eerst mogelijke gelegenheid van het programma te genieten kunnen dat dus doen op hetzelfde moment als andere kijkers. Bovendien maakt dit ook een gemeenschappelijke real-time discussie via bijvoorbeeld Twitter of een specifieke applicatie op het tweede scherm mogelijk.

Conclusie

De wereld van de televisie schuift langzaam maar zeker op naar meer interactieve modellen, waarbij kijkers kunnen kiezen uit grote hoeveelheden on-demand aanbod. Ik heb willen uitleggen dat er toch een groot belang blijft bij het lineair programmeren van televisieuitzendingen, en dat dat belang in de discussie vaak onderbelicht blijft. Het biedt mogelijkheden voor de aanbieders, waarbij commerciële partijen en publieke omroepen ieder afwijkende -maar in beide gevallen valide- argumenten kunnen aandragen. Het is bovendien iets wat de tv-kijker is gewend, en wat de transitie van traditionele lineaire TV naar volledig interactieve TV danig kan vergemakkelijken.

Het staat buiten kijf dat veel van wat ik hier beschrijf voorlopig nog een utopie zal blijven. Al was het maar omdat er, zoals gezegd, zoveel verschillende spelers in de keten bij betrokken zijn, en omdat dat deze spelers niet altijd dezelfde belangen delen.

De publieke omroep moet zich blijven oriënteren op een dergelijke toekomst: een goede koppeling tussen het aanbod van de diverse omroepen en een dus zo aantrekkelijk mogelijk televisie-aanbod met visuele hyperlinks. Projecten om uitzendingen van de juiste meta-data te voorzien zijn al ruimschoots geïmplementeerd. De omroep doet er goed aan dergelijke zaken, waarvan de bruikbaarheid wellicht op het eerste oog niet zichtbaar is maar die van een ongekend groot belang zijn in de toekomst, te handhaven en te intensiveren. De televisie-organisatie met het rijkste maar vooral ook het zorgvuldigst onderling gekoppelde media-archief heeft straks de beste kaarten in handen.

Jorg Kennis is op Twitter te volgen via @JorgK

Jachtseizoen op de publieke omroep lijkt geopend

Dit artikel is geschreven in september 2010, en verscheen eerder in de Volkskrant en op Joop.nl.

Van links tot rechts in het politieke spectrum lijken volksvertegenwoordigers over elkaar heen te buitelen met voorstellen om hard in te grijpen bij de publieke omroep. Positieve geluiden over het werk van de omroep, laat staan bemoedigende woorden om hier vooral mee door te gaan, blijven uit. Als liefhebber van discussieprogramma’s, drama-series, journalistieke documentaires en gedurfd en vernieuwend amusement verbaast me dat.

Het staat voor iedereen vast dat het toekomstige kabinet zich geconfronteerd ziet met fikse bezuinigingen. Als gedeeltelijk door belastinggeld gefinanciëerd instituut ontkomt dus ook de publieke omroep begrijpelijkerwijs niet aan een kritische analyse. Deze analyses zijn echter niet zelden gebaseerd op een gebrek aan feitenkennis.

Zo wordt er vaak gesproken over het vervangen van het huidige omroepbestel door een zogenaamd “BBC-model”. De gedachte hierachter is dat wanneer de omroepen verdwijnen, er zo veel overheadkosten kunnen worden geschrapt dat dit een flinke besparing zou opleveren. Helaas hebben deze mensen zich klaarblijkelijk niet de cijfers eigengemaakt. Volgens het finaniële rapport van de EBU (de overkoepelende organisatie van Europese omroepen) kost de BBC een Brit 77,04 euro per jaar. In het rijtje landen geordend naar kosten per hoofd van de bevolking vinden we Nederland pas op de 13e plaats, met 50,43 euro per persoon per jaar. Als we hier nog eens bij optellen dat de BBC als vrijwel enige Europese omroep ook nog een succesvolle inkomstenstroom heeft weten te genereren uit de verkoop van programma’s aan buitenlandse omroeporganisaties, dan kunnen we stellen dat de Nederlandse Publieke Omroep het helemaal zo slecht nog niet doet. Dat de landen op plaats 1 tot en met 12 niet over een pluriform omroepbestel beschikken maar toch meer kosten per persoon, laat ik voor het gemak dan zelfs even buiten beschouwing.

Sommigen pleiten zelfs voor het opheffen van de STER, om zo de publieke zenders volledig reclamevrij te maken, wederom analoog aan het BBC-model. Vreemd dat dit argument vaak klinkt uit de monden van dezelfde mensen die voorstander zijn van flinke kostenreductie bij de omroep. Het één lijkt met het ander in tegenspraak. Wanneer we ons realiseren dat de STER-reclame nooit tussen programma-onderdelen wordt uitgezonden, dat het STER-blok een voor de kijker zeer duidelijke scheiding tussen reclame en objectieve programma’s mogelijk maakt, en dat wettelijk is vastgesteld dat niet meer dan 10% van de zendtijd aan de STER mag worden verleend, zie ik niet in waarom het afschaffen van de STER bij zou dragen aan het financiëel hervormen van de omroep.

Laten we dan eens kijken naar wat er van de publieke omroep wordt verwacht. Mij lijkt het dat het informeren en verrijken van kijkers tot de kerntaken behoren. Informeren vindt uiteraard plaats via de journaaluitzendingen, maar ook in de actualiteitenrubrieken, discussieprogramma’s en talkshows. En niet alleen middels het verstrekken van feiten, maar ook door de interpretatie hiervan. De verschillende omroepen voorzien in dergelijke programma’s, waardoor de kijker zich kan laven aan een groot aantal verschillende opinies om zo zelf tot een gedegen mening te komen. Vervolgens dient de publieke omroep in mijn ogen voor het verrijken van het publiek. In intellectueel én cultureel opzicht. Bij de publieke omroep is plaats voor vele vormen van cultuur, van dramaseries die bijvoorbeeld voornamelijk uit spannende dialogen bestaan, via registraties van alternatieve popmuziek, tot documentaires over de levensloop van prominente sporters. Kennis wordt bijgespijkerd in programma’s op velerlei niveaus, van gedramatiseerde reportageseries over de toestand van de aarde en de invloed van de mens daarop, via taal- en kennisquizen tot geschiedenismagazines die het verleden van voormalige beschavingen blootleggen.

Veel critici staven hun argumenten door te pas en te onpas te roepen dat “Lingo en Boer zoekt vrouw” niet bij de publieke omroep thuishoren. “Dat kan net zo goed bij de commerciëlen”, heet het dan. Hoewel de commeriële aantrekkelijkheid van sommige amusementsprogramma’s van de publieke omroep nog valt te betwijfelen, hebben deze mensen hier ogenschijnlijk een punt. Maar zijn gaan voorbij aan twee zaken. Op de eerste plaats kunnen veel omroepen in een groot aantal lichtere amusementsprogramma’s toch een groot deel van hun waarden kwijt, zaken waarvan het allerminst duidelijk is of een commerciële omroep ze de zelfde prioriteit zou geven. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de aandacht voor diversiteit in de verschillende “human interest” programma’s van de NCRV. Vervolgens vergeten deze mensen dat het volledig schrappen van “licht verteerbare” TV op de publieke zenders zondermeer leidt tot een marginalisatie van het aanbod tot uitsluitend informatie en cultuur. Veel mensen zullen de weg naar deze zenders op den duur niet meer weten te vinden, waardoor de kans dat zij ook iets meepikken van de andere programma’s klein wordt. Een dergelijke situatie heeft zich in Amerika voorgedaan met de publieke omroep PBS, die slechts door een zeer selectieve groep mensen wordt bekeken, omdat alle vermaak zich op de grote commerciële networks afspeelt. De klacht dat de publieke omroep slechts de stem van de linkse, cultureel-onderlegde elite vertegenwoordigt wordt met een dergelijk besluit dus nog meer bewaarheid, en de bereidwilligheid van grote gedeelten van de bevolking om hier middels belastinggeld een bijdrage aan te leveren zal daardoor evenredig afnemen.

Als liefhebber van interessante TV-programma’s kom ik vrijwel dagelijks tijd te kort om het voor mij relevante aanbod van de publieke omroep tot me te kunnen nemen. Van lichte talkshows als De Wereld Draait Door (waarin naast zangers en sportlui ook regelmatig economen, politici en wetenschappers aanschuiven), via de documentaires en drama-series van Nederland 2, tot de verdiepende discussieprogramma’s als Knevel en Van de Brink of Pauw en Witteman: wanneer men zou willen zou de kritische, informatiehongeringe en cultureel geïnteresseerde TV-kijker de hele avond onder de pannen zijn. Hoewel de voormalige bestuurders van TV-zender Het Gesprek zich beklaagden over mogelijke oneerlijke concurrentie van de publieke omroep, lijkt er uit het falen van de zender in elk geval niet te kunnen worden opgemaakt dat er een grote commeriële markt is voor inhoudelijke televisie.

En hoe zit het dan met de omroepen in het publieke bestel? Zijn zij inderdaad slechts het fossiele exponent van een ooit tot op het bot verzuilde samenleving, en daarmee in de huidige tijd volledig irrelevant? Het staat buiten kijf dat er aan het profiel van veel omroepen in de loop van de afgelopen 80 jaar veel is veranderd. Zo hebben de christelijke omroepen als de KRO en de NCRV hun accent in veel programma’s verschoven naar aandacht voor mensen, hun onderlinge verschillen en wat ze bindt, en heeft de VARA haar strikt socialistische identiteit verschoven naar een progressief geluid. Dergelijke veranderingen zijn echter geen legitimatie om het omroepbestel als verouderd te beschouwen. Bij kranten hebben dezelfde veranderingen plaatsgevonden, neem alleen al de transitie van het Katholieke de Volkskrant naar een krant voor progressief Nederland. Als een krant niet meer uitsluitend de oorspronkelijke zuil vertegenwoordigt, neemt dat toch niet weg dat de toon van het blad, de mening van de redacteuren en columnisten en de keuze voor onderwerpen voor veel mensen redenen blijven om voor een specifieke krant te kiezen?

Hetzelfde geldt in mijn ogen voor de omroepen. In Nederland hebben we een uniek systeem. Het omroepbestel bestaat uit een groot aantal partijen die ieder vanuit hun eigen motivatie een bijdrage willen leveren aan het publieke televisieaanbod. Sommige vanuit een politieke of religieuze gedachte, andere uit pragmatische overwegingen om bepaalde groepen in de bevolking van vermakelijke en inhoudelijke televisie te voorzien. De “concurrentie” maakt dat zij goed beslagen ten ijs moeten treden met nieuwe programma-voorstellen tenijnde zich een plekje in het zendschema te bemachtigen, en de noodzaak om tot coherente, herkenbare horizontaal geprogrammeerde TV-kanalen te komen maakt dat zij op alle mogelijke manieren de samenwerking met elkaar zoeken. Het beste van twee werelden, dat getuigende de huidige situatie op de publieke kanalen tot vaak spannende, opmerkelijke, onderhoudende en informatieve televisie leidt.

Een manco in het systeem dat op dit moment veel omroepen parten speelt, is het gegeven dat het toekennen van de budgetten en in iets mindere mate het aantal uren dat een omroep mag uitzenden wordt vastgesteld op basis van het aantal leden. En vrijwel alle omroepverenigingen hebben te lijden onder dalende ledentallen. Enerzijds is dit het gevolg van de ontzuiling, waarbij een stem op het CDA en het lidmaatschap van de CNV niet langer automatisch inhoudt dat met ook lid wordt van de KRO. TV-kijkers richten zich ook niet langer uitsluitend of voornamelijk op hun “eigen” omroep, zij consumeren rijkelijk uit het brede aanbod van alle omroepen. Anderzijds speelt de puur pragmatische reden dat men voor programma-gegevens niet langer op het omroepblad wordt teruggeworpen. Internet en EPG’s (electronische programmagidsen op televisie) hebben die rol voor veel mensen overgenomen.

Het toekennen van zendtijd en budget zou in mijn ogen niet langer uitsluitend op ledenaantallen moeten worden gebaseerd. Ik kan me voorstellen dat de verdeling op basis van wenselijkheid wordt vastgesteld. Denk hierbij aan geselecteerde kijkerspanels. Hoewel ook in dit geval rekening moet worden gehouden met de toegankelijkheid van het bestel voor omroepen die zich nadrukkelijk (gedeeltelijk) op de behoeften van een minderheid in de bevolking richten, lijkt het idee tegemoet te komen aan de wens om meer draagvlak vor de publieke omroep te creëren. Met het verdwijnen van leden verwijnt ook een relatief beperkte inkomstenbron voor de omroep, maar gezien het feit dat een omroep met premium-geschenkjes vaak meer inversteert in nieuwe leden dan dat het ze oplevert (leden zijn nu eenmaal belangrijker bij de toekenning van zendtijd dan de inhoud van de omroepkas), is deze inkomstenbron relatief eenvoudig te compenseren.

Onder druk van de huidige politieke situatie en als gevolg van de uitgesproken wensen van een groot aantal politieke partijen, lijkt er een lichte paniek te zijn uitgebroken in Hilversum. Dat uit zich enerzijds door de wens om de bewustwording van het publiek met betrekking tot de betekenis van de publieke omroep te versterken. De camapgne “De publieke omroep vertelt jouw verhaal” moest leiden tot meer begrip en waardering, maar werd al snel het mikpunt van ridiculisering, niet in de laatste plaats door mensen “van binnenuit”, zoals Jeroen Pauw. Logisch, want het valt niet mee om de profielen van de zenders, de profielen van de omroepen én nu ook het profiel van de publieke omroep als geheel duidelijk te maken aan de kijkers. Dezelfde kijkers die vaak niet eens weten dat SBS6 en de AVRO niet dezelfde grootheden zijn.

Anderzijds zien we de paniek terug in de stroom van berichten uit Hilversum waarin omroepen aangeven met elkaar in gesprek te zijn om te komen tot fusies, of de intentie hiertoe hebben uitgesproken. Hoewel deze maand de nieuwe concessieperiode voor de publieke omroep aanbreekt waarbinnen zij normaliter vijf jaar zullen opereren, vrezen veel omroepen toch dat het nieuwe kabinet vroegtijdig het mes gaat zetten in de omroep. Met het uitspreken van de bereidwilligheid om eigenhandig het aantal omroepen te verminderen proberen zij de politieke en publieke opinie gunstig te stemmen. Echter, door de gehaastheid waarmee zij zich op dit moment uiten over het onderwerp, kan het voorkomen dat omroepen via de media volledig naast elkaar heen gaan praten. NOS-directeur Jan de Jong sprak tot grote ergernis van de andere omroepen over een situatie met nog maar drie omroepen, de VARA lonkt naar een fusie met de VPRO die op haar beurt weer meer ziet in een verregaande samenwerking, en ook de AVRO meldt alvast dat ze het opgaan in een conservatief TROS/Max-blok niet ziet zitten. Dit alles komt de beeldvorming niet ten goede, en wekt de indruk van verdeeldheid in Hilversum. Terwijl de publieke omroep nu juist met het tegendeel -een sterk coherent verhaal- gediend zou zijn.

Waarom klinkt er zo weinig waardering voor de omroep? Waarom uiten niet meer mensen hun zorg over het mogelijk verdwijnen van één (of zelfs twee) publieke zender(s), en daarmee een groot gedeelte van de programmering?

Ik hoop dat zowel bij het publiek als bij de diverse politieke partijen meer begrip en waardering ontstaat voor de publieke omroep. Ik heb willen aangeven dat de situatie bij de omroep lang niet zo zwartgallig is als vaak wordt verondersteld. Niet in financiëel opzicht, en zeker niet in creatief opzicht. Het zou politieke partijen sieren dat zij, wanneer zij -terecht- kijken naar besparingen die bij de publieke omroep kunnen worden doorgevoerd, ook willen meenemen van welk een groot belang de publieke omroep is voor een ontwikkeld land. Het uitsluitend vertrouwen op marktwerking en de hoop dat ook op die manier grote groepen van de bevolking kunnen worden bereikt met informatie, heterogene opinie en cultuur -zaken die essentiëel zijn voor participerend burgerschap- lijkt op de lange duur meer kwaad te doen dan een relatief beperkte financiële meevaller goed kan maken.

Nee, dat beloof ik niet – Morele bezwaren tegen het huwelijk

Het belang wat sommige mensen aan het huwelijk hechten, en de vorm waarin zij dat gieten, is me altijd uiterst bedenkelijk overgekomen. En hoewel dat grotendeels lijkt te kunnen worden afgedaan als een particuliere gevoelskwestie, blijken er een groot aantal praktische en zelfs morele bezwaren te kleven aan het huwelijk. Ik probeer dat hieronder toe te lichten.

Het westerse huwelijk heeft een achtergrond waarbij burgerij en kerk nauw verweven zijn, en waarbij voor de selectie van huwelijkskandidaten vaak werd uitgegaan van praktische aangelegenheden die het samenbrengen van twee personen tot gevolg had, en minder van persoonlijke voorkeuren van de huwelijkskandidaten.

Het moge duidelijk zijn dat de meeste huwelijken die dezer dagen worden gesloten niet meer, of niet meer zo sterk, op deze principes zijn gegrondvest (al komt het nog steeds voor). Laten we er in dit betoog vanuit gaan dat beide partners uit affectie voor elkaar het besluit nemen om met elkaar te trouwen, los van financiële of religieuze motivaties.

Een huwelijk wordt aangegaan met één ander persoon, en heeft in beginsel geen einddatum. Hoewel er tegewoordig -ook juridisch- een einde kan worden gemaakt aan een huwelijksverbintenis, is de intentie doorgaans niet het aangaan van een vrijblijvende of tijdelijke overeenkomst.

Er valt veel te zeggen voor het uitspreken van dergelijke duurzame intenties binnen een relatie, en dat is dan ook niet datgene waar ik een probleem mee heb. Relaties kunnen een bepaalde verdieping krijgen wanneer beide partners elkaar laten blijken dat ze voor lange duur bij elkaar willen blijven. De vraag is echter of het moreel verantwoord is om mensen dit te laten beloven. Kun je van een mens verwachten dat hij of zij op een bepaald moment in zijn of haar leven, en onder de dan geldende omstandigheden en met de op dat moment aanwezige kennis, een beslissing kan nemen die zulke grote gevolgen heeft voor zijn persoonlijke levensgeluk en ontwikkeling? De afspraak lijkt immers te zijn: voor mijn emotionele en lichamelijke welzijn maak ik me voor de rest van mijn leven exclusief afhankelijk van één enkel persoon.

Daarmee wordt voorbij gegaan aan twee belangrijke factoren die hier verandering in kunnen brengen: de band tussen beide personen kan veranderen, en er kunnen zich andere personen aandienen waarbij zich ook de wens voordoet daar een sterke, emotionele en/of lichamelijke band aan te gaan. Zaken waarover bij het aangaan van het huwelijk eerder bepaalde -al dan niet ongeschreven- exclusieve afspraken zijn gemaakt.

Nu is het natuurlijk zo dat er diverse moderne en ruimdenkende interpretaties mogelijk zijn van het huwelijk. Immers: niet weerhoudt de betrokken partijen ervan om losser met de definities om te gaan, en zich in te laten met aanvullende partners mocht die behoefte zich voordoen. Maar dan nog blijft de vraag bestaan waarom beide partners zich openbaar willen laten vastleggen op een overeenkomst die de mogelijkheden -afhankelijk van persoonlijke ontwikkeling en/of veranderende omstandigheden- om zich te ontwikkelen danig inperkt.

In beginsel heb ik moeite met het idee dat een mens het beste gebaat is bij het hebben van slechts één enkele partner. Het traditionele huwelijk biedt geen mogelijkheden om om te gaan met het idee dat verschillende mensen verschillende belangrijke rollen in het leven van iemand kunnen spelen. Hetzij parallel aan elkaar, of zelfs op op verschillende momenten in het leven. Voor beiden laat het huwelijk geen ruimte: er kan een huwelijksverbintenis worden aangegaan met slechts één persoon tegelijkertijd. En zelfs voor het op een later tijdstip aangaan van een dergelijk verbond met iemand anders bestaat geen mogelijkheid, zonder daarmee het bestaande huwelijk te ontbinden.

En daarmee komen we op een belangrijk punt. Ik denk dat de vorm van het traditionele, monogame huwelijk gevolgen heeft gehad voor de manier waarop morele oordelen over relaties zijn gevormd, en niet andersom: dat de vorm van het huwelijk voortgekomen is uit al langer bestaande morele opvattingen over relaties. Uit alles in onze cultuur blijkt dat, hoewel velen de noodzakelijkheid van het aangaan van een huwelijk los hebben gelaten, de algemene mores ons nog steeds voorhoudt dat het exclusieve verbond tussen twee mensen de enige “moreel juiste” relatievorm is, en dat alles wat daar aan tornt vanuit diezelfde optiek onethisch is. Ook onze “vrije” westerse cultuur is vergeven van het bekrompen gebruik van begrippen als “trouw”, waarmee dan niet wordt bedoeld of iemand zijn lichamelijke en geestelijke vertrouwen schenkt aan iemand, maar of dat gegeven al dan niet exclusief is.

Ik denk dat het immorreel is om mensen verbintenissen te laten aangaan en ze iets te doen laten beloven waarop zij niet terug kunnen komen, althans niet binnen de vorm van die verbintenis. Het gaat volledig voorbij aan het gegeven dat een mens zich gedurende zijn leven ontwikkelt, tot andere inzichten komt of  andere verlangens en behoeftes leert kennen. En dat er mensen op zijn of haar pad kunnen komen waaraan hij of zij zich intellectueel, lichamelijk en emotioneel zou kunnen laven. Waarom zou iemand een publiekelijke verklaring willen afleggen zich nooit meer te willen richten op iemand anders die mogelijk aan een grote lichamelijke, geestelijke en emotionele ontwikkeling kan bijdragen?

Maar naast deze morele bezwaren, zijn er ook nog een aantal praktische zaken waar ik tegenaan loop.

Zo verbaas ik me erover dat vaak vrouwen -en soms een enkele man- zich zo vereerd voelen bij een huwelijksaanzoek. Niet zelden wordt een dergelijke verloving uitgebreid wereldkundig gemaakt. De beide partners zien in de voorgenomen huwelijksplannen de ultieme uiting van hun liefde voor elkaar. Toch zegt een voorgenomen huwelijk nauwelijks iets over de kwaliteit van een relatie. Sterker nog: niets lijkt zo makkelijk dan je “liefde betuigen” voor een ander door hem of haar ten huwelijk te vragen. Het is een volstrekt abstract gegeven, dat niets zegt over de praktische invulling van de relatie.

Ik ga ervan uit dat iemand zijn of haar relatie baseert op zaken als betrokkenheid, vertrouwdheid, mogelijkheden tot ontwikkeling, inspiratie, prikkeling, aantrekking en dergelijke. Zaken die dagelijks in de praktijk tot uitdrukking komen. Het moet, vind ik, de moeite waard zijn om iemands partner te zijn. Hierin schuilt een bepaalde gemeenschappelijke verantwoordelijkheid om elkaar dat alles te bieden. De bereidheid om je hiervoor in te spannen, om de relatie ook daadwerkelijk te voeden en om je partner te blijven prikkelen, inspireren en stimuleren, geven aan hoe waardevol het contact met iemand is. Niets lijkt er makkelijker dan met veel omhaal een huwelijksaanzoek te doen om je liefde te verklaren. Het impliceert immers an-sich totaal niets over de invulling. Waarom zou iemand zo dolgelukkig zijn bij het idee dat iemand bereid is om zijn of haar echtgeno(o)t(e) te worden, terwijl dit toch op zijn minst de minst arbeidsintensieve manier is om van iemand te merken dat hij of zij het beste met je voorheeft en inspanningen wil verrichten om je een gelukkige relatie te bezorgen. Waarom pikken zoveel mensen deze gemakzuchtige uiting van liefde?

Zit het hem erin dat met huwelijksaanzoek eenvoudig kan worden duidelijk gemaakt wat de bedoeling is? Dat het makkelijk is om aan de omgeving te vertellen wat de aard van de relatie is (en hoe goed en serieus de andere partner het met je voor heeft) door ze eenvoudigweg van de trouwplannen op de hoogte te stellen? Waarom zou je felicitaties schenken aan het voorgenomen huwelijk van een stel met een middelmatige relatie, en zouden deze niet op zijn plaats zijn bij een relatie die niet notarieel wordt bezegeld, maar die inhoudelijk erg sterk is? Toch lijkt het voorgenomen huwelijk het ultieme bewijs van de kwaliteit van de relatie, voor de beide partners, maar waarschijnlijk vooral ten overstaan va de buitenwereld, terwijl het er in feite helemaal niets over zegt.

En dan is er het uiterlijk vertoon waarmee veel huwelijken gepaard gaan. Uiteraard is hier sprake van persoonlijke invulling en smaak, maar het is verbazingwekkend met hoeveel overeenkomstige symboliek huwelijken plaatsvinden. Van de kostbare kleding van de bruid tot de afgehuurde lokatie voor de feestelijkheden: hoe grotesker met alles wordt omgesprongen, hoe groter het signaal dat het koppel schijnt uit te willen dragen. Huwelijksaangelegenheden zijn vaak zó bombastisch, dat ik me afvraag wie er aan wie een boodschap wil overbrengen. Wederom komt daarbij de vraag in mij op: Waarom accepteren mensen het idee dat zoiets abstracts als de liefde, iets wat zich uit in de mate waarop mensen elkaar inspireren, verrijken en genot schenken, door een groots banket in een pittoresk landhuisje of door lange sluiers en koetsen kunnen worden verbeeld? Wat zegt zo’n dag tegen anderen over datgene wat je partner voor jou nu zo bijzonder maakt?

Waarom de institutionalisering van je relatie zo uitbundig vieren, en niet de daadwerkelijke aspecten die de relatie voor jou zo bijzonder maken?

Een van de meest bizarre randverschijnselen van het huwelijk die ik tenslotte nog even wil noemen, is het aannemen van de achternaam van de partner. Hoewel niet langer meer een juridische verplichting, en inmiddels opgerekt met de mogelijkheid verschillende combinaties van de namen van beide partners te gebruiken, is het een stuidend paternalistisch relikwie dat indruist tegen elk idee van persoonlijke integriteit. Je naam is het meest persoonlijke woord om je individualiteit aan te duiden. Het aannemen van de naam van je partner symboliseert niet alleen een over-geromaniseerd idee van het samengaan van beide partners (waarbij duidelijk wordt verbeeld dat de individuele ontplooing ondergeschikt is aan die van het stel), maar brengt bovendien een volstrekt onethische hierarchie aan tussen beide partners. De één heeft zich letterlijk ondergeschikt gemaakt aan de ander, door zich naar die ander te vernoemen – ten koste van de naam waarmee de eigen identiteit tot dan toe altijd werd aangegeven. Ik kan niet begrijpen dat partners die hun naam schenken aan hun echtgenoot zich niet gegeneerd voelen waarnee die naam voorbij komt.

Er zijn kortom nogal wat redenen om vraagtekens bij het huwelijk te zetten. Is het moreel verantwoord om iemand een dergelijke belofte te laten doen? Zijn de gevolgen hiervan op iemands ontwikkeling per saldo positief of negatief? Wat zegt een huwelijk over de kwaliteit van de relatie of de intenties van de partners? En waarom lijken zoveel mensen de behoefte te voelen zich er toch -met veel uiterlijk vertoon- aan te wagen? Ik vraag me af of het huwelijk past bij het idee van een relatie die zich richt op het zo goed en liefdevol mogelijk ontplooien van beide partners.

Tweede persoon meervoud – Of: Een hernieuwde kijk op relaties

Ik ben geen bioloog, geen socioloog, geen sexuoloog en geen filosoof. Het is dan ook met gepaste nederigheid dat ik meen iets over dit onderwerp te kunnen zeggen, want het raakt aan alle genoemde disciplines en misschien zijn alleen degenen die op al deze gebieden over gedegen kennis beschikken in staat er weloverwogen een mening over te kunnen vormen. Alles wat ik hierover te melden heb zijn persoonlijke observaties en gedachtengangen. Hou er dus vooral rekening mee dat ik zaken volledig uit verband kan zien, of tot verkeerde conclusies kom. Ik heb niet de pretentie met nieuwe waarheden op de proppen te komen.

Dat gezegd hebbende, er is een vraag die me al geruime tijd niet los laat: Is er iets fundamenteel mis met de manier waarop wij in onze samenleving liefdesrelaties definiëren? De vraag stellen is hem beantwoorden. Ja, ik denk dat dat het geval is.

Institutionalisering van relaties
We leven in een maatschappij die de sporen van enige decennia aan sexuele en maatschappelijke revoluties duidelijk zichtbaar heeft gemaakt. We zijn gewend aan sexuele en relationele uitspattingen, maar vaak worden deze ook vooral als dusdanig beschouwd: uitspattingen. De meeste mensen gaan bij het idee van een relatie nog steeds uit van een redelijk vertrouwd beeld: één man en één vrouw, vrij recentelijk opgerekt met de notie dat het hier ook twee mensen van hetzelfde geslacht kan betreffen. Het idee van de één-op-één-relatie is daarbij echter een onlosmakelijk component.

Volgens sommigen kent de traditionele man-vrouw relatie een duidelijk biologische oorsprong: het paar zorgt samen voor de verwekking én de opvoeding van nageslacht (hoewel de vanzelfsprekendheid dat deze opvoedpraktijk ook op elk moment in de geschiedenis gebruikelijk was door velen wordt betwist). Vanuit het voortplantingsidee lag het voor de hand dat deze samenlevingsvorm tussen een man en een vrouw werd geïnstitutionaliseerd in de vorm van een huwelijk en dat het hebben van sexuele contacten veelal tot dit exclusieve verbond diende te worden beperkt. Aan het aangaan van sexuele betrekkingen was immers tot voorkort een groot risico verbonden: de vrouw kon zwanger worden en ze was voor de opvoeding en het onderhoud van het kind mede -of voornamelijk- van de man afhankelijk. Ethische normen dienden een praktisch doel.

Dat er rekbaarheid zit in de manier waarop gemeenschappen het aangaan van sexuele relaties definiëren, blijkt wel uit de sexuele revolutie in de jaren ’60. Het afnemen van de kerkelijke invloed op de menselijke moraal in combinatie met het ruim beschikbaar komen van voorbehoedsmiddelen, maakte dat de meeste mensen vanaf die tijd vrij gemakkelijk sexuele relaties met elkaar aangingen. Ook wanneer er geen sprake was van de intentie dat deze relatie de rest van het leven van beide partners zou voortduren.

Keuzes bij verlangen
Hoewel de meeste mensen zich de vrijheid permitteren in hun leven meerdere sexuele partners te hebben, is de structuur waarbinnen die relaties zich vormen door de jaren heen niet fundamenteel veranderd. Relaties worden aangegaan met één ander persoon, het aangaan van een volgende relatie betekent automatisch het einde van de huidige relatie.

Wanneer mensen binnen een relatie de behoefte voelen aan het hebben van een relatie met een ander, of zich die behoefte nu richt op een specifiek persoon of dat er sprake is van een algemeen verlangen, dan zien de meeste mensen zich gedwongen een keuze te maken. Het aantal opties dat daarbij de revue passeert, is grofweg te verdelen in: 1) het negeren van het verlangen ten behoeve van het behoud van de huidige relatie, 2) het stiekem aangaan van een geheim contact, en 3) het beëindigen van de huidige relatie om een nieuwe te starten.

Zelden wordt hierbij gedacht aan de mogelijkheden om een relatie aan te gaan met deze nieuwe persoon, met behoud van de huidige relatie. Ik heb me vaak afgevraagd waarom dat het geval is. Speelt hierbij overwegend een rol dat biologische en/of psychologische oorzaken ons ervan zouden weerhouden succesvol relaties met meerdere personen aan te gaan, of is de algemene relatievorm vooral cultureel bepaald?

Betekenis van trouw
Hoe erg dat mogelijk geval is blijkt onder meer uit het spraakgebruik waarmee het thema omgeven is. Termen als “vreemdgaan” en “overspel” benadrukken de negatieve connotatie. Maar vooral met het gebruik van het woord “ontrouw” heb ik grote moeite. Hoewel er veel voor te zeggen valt dat er sprake is van een vertrouwensbreuk wanneer partners expliciet afspreken zich sexueel exclusief op te stellen naar elkaar en één van de partners deze afspraak eenzijdig schaadt, wordt met het woord toch vooral de schending van die exclusiviteit in het algemeen bedoeld.

Voor mij betekent trouw een vorm van toewijding, het bieden van een omgeving voor de ander waarbinnen deze zich volledig vrijelijk kan uiten, zonder bang te zijn voor veroordeling of afwijzing. Het betekent vooral dat beide partners weten dat ze op elkaar kunnen rekenen. Dat deze vorm van trouw iets anders is dan exclusiviteit moge duidelijk zijn, al lijken beide termen in de praktijk onterecht met dezelfde betekenis te worden gebruikt.

Ik heb gemerkt dat wanneer ik dit onderwerp met mensen bespreek, ik vaak te horen krijg dat jaloezie naar de partner -wanneer deze een andere relatie aan zou gaan- de persoon ervan weerhoud om dit zelf te doen, bij wijze van een tweezijdige, al dan niet stilzwijgende, afspraak. Het valt me daarbij op dat als reden om niet voor een dergelijke relatievorm te kiezen vaker wordt gegeven dat men jaloers zou zijn op de partner, dan dat men zelf de behoefte niet zou hebben.

Waarom nóg een relatie?
Toch zullen veel mensen de vraag stellen: Waarom zou je een tweede relatie willen aangaan als je al een relatie hebt? Vaak met als toevoeging: Heb je aan je huidige partner dan niet genoeg? Ik heb altijd moeite gehad met die vraag. Weinig mensen zullen een uitleg nodig hebben bij de vraag waarom het fijn is een relatie te hebben. Het aangaan van een nieuw contact met een nieuw persoon, het leren kennen van iemands gedachtes en ideeën, het uiten en ontvangen van genegenheid, de spanning die gepaard gaat met fysiek contact: het zijn allemaal zaken die als positief worden ervaren. Het hebben van een verlangen naar het invullen van deze ervaringen met een ander persoon staat los van de kwaliteit van de bestaande relatie. Het ligt immers ook voor de hand dat de nieuwe relatie weliswaar op veel vlakken overlap vertoont met de huidige relatie, maar dat de andere partner én de manier waarop de relatie wordt ingevuld op evenzoveel punten verschilt. En dus niet afdoet aan de bestaande relatie, maar er iets aan toevoegt.

Er zullen zelfs mensen zijn die dit polyamore principe wegzetten als een exponent van de huidige tijdsgeest, waarin we volgens sommigen steeds meer willen, steeds minder bewust keuzes maken en nooit bevredigd lijken te worden in onze zoektocht naar “meer”. Ik denk dat het verlangen waar we hier over spreken zo ver van de toch voornamelijk materiële verlangens die hierboven bedoeld worden af staat, dat het verband niet of nauwelijks is te leggen. Ik ken geen mensen die zich principieel tegen geestelijke en emotionele ontwikkeling in het algemeen keren. Het aangaan van meerdere relaties is toch vooral een gevolg van de behoefte aan het invullen van geestelijke en emotionele verlangens en niet van het zoeken naar kortstondige bevrediging.

Realistische behoeftes
Ik vind het een onrealistisch idee dat één partner alle behoeftes die binnen een relatie leven zou kunnen vervullen. Veel mensen gaan hiermee om door ofwel te proberen die invulling alsnog af te dwingen, maar nog veel vaker door zich erbij neer te leggen dat bepaalde zaken nu eenmaal niet binnen de relatie zullen worden ingevuld. En net zoals mensen in staat zijn meerdere vriendschappen te onderhouden, die mogelijk allemaal op hun eigen manier, met eigen zwaartepunten en als gevolg van specifieke karaktertrekken worden vormgegeven, zo denk ik dat mensen elkaar ook kunnen aanvullen op relationeel vlak.

Niemand zal een vriend verbieden om andere vriendschappen aan te gaan, omdat we bij vriendschap verwachten dat de invloed van andere mensen niet per se een negatief effect hoeft te hebben op onze eigen vriendschap. We accepteren dat het hebben van contact met meerdere mensen een aantal praktische beperkingen met zich meebrengt, zoals met betrekking tot de verdeling van onze tijd. En we zullen daarbij wellicht ooit aanlopen tegen jaloezie over deze tijdsverdeling. Maar we erkennen de waarde uit de vriendschap die we zelf hebben, en koesteren de dingen die ons binden. Zaken die de basis zijn van de vriendschap.

Hoe anders zou dit moeten zijn bij relaties? Er is niets wat de mens zo vervult van energie en levenslust als het hebben van een intieme band met iemand anders. Om geestelijk en fysiek deelgenoot van elkaar te kunnen zijn. Om onze affectie te kunnen uitspreken, om dat gevoel beantwoord te krijgen. Om zich te herkennen in wat een ander zegt. Om gefascineerd en gebiologeerd te zijn door iemand anders. Om zich geliefd te voelen.

Wederzijdse verrijking
Zoals gezegd denk ik dat dat gevoel niet per se door slechts één persoon hoeft te worden ingevuld. Er zijn zoveel facetten aan een persoon die iemand kunnen fascineren, dat de kans erg groot is dat een intiem contact met iemand anders een enorme verrijking kan zijn. En bovendien vind ik -maar ik realiseer me dat dit een (ook) een vrij particuliere opvatting is- dat het een enorme aanwinst kan zijn voor de bestaande relatie.

Er schuilt een grote aantrekkelijkheid in het kunnen delen van gedachtes en gevoelens met de ene partner, óók wanneer het aankomt op het zich uiten óver de andere partner. Het zich realiseren dat je partner -een persoon waar je veel van houdt en die je in de regel het beste gunt- in staat wordt gesteld om dubbel zoveel geluksgevoelens te incasseren, stemt zeer bevredigend. Omdat het hierdoor makkelijker wordt om je in de behoeftes van je partner te verplaatsen zal het onderling begrip toenemen en dus zal de geestelijke band nog sterker worden.

Daarnaast heeft het simpelweg iets fascinerends om te ervaren dat je partner zich met leuke, spannende en verrijkende zaken inlaat. Tenminste, als je er zelf ook zo over denkt.

De betekenis van sex en vriendschap
Ik kan me voorstellen dat de vraag zich voordoet of ik hier het aangaan van dergelijke contacten niet gewoon verwar met vriendschappen, dan wel met (al dan niet stiekeme) additionele sexuele contacten. Maar dat is niet wat ik hier bedoel. Ik denk juist dat de combinatie van vriendschap en aantrekking, én een omgeving waarbinnen die genegenheid (lichamelijk) kan worden geuit, de ultieme vorm van contact is. De aanwezigheid van de vriendschap maakt dat het een veel grotere diepgang heeft dan een los sexueel avontuur, en de aanwezigheid van lichamelijk contact maakt dat gevoelens kunnen worden bevestigd en dat sexueel verlangen kan worden geuit.

Merk op dat ik in dit verband “sex” ruim definieer: van de eerste gevoelens van fascinatie, de verliefdheid, de aai door het haar, het liefdevol aankijken tot lichamelijke sexualiteit: al deze gevoelens en uitingen vallen binnen deze context onder de noemer “sex”, omdat ze allemaal voortkomen uit dezelfde, voornamelijk lichamelijk en hormonaal gedreven verlangens.

Ook “vriendschap” behoeft in deze context wellicht enige toelichting. Het woord wordt vaak en met verschillende betekenissen gebruikt. Volgens mij komt een vriendschap pas volledig tot zijn recht wanneer twee mensen in staat zijn toe te treden tot elkaars denkwereld. Zonder zich daarbij geremd gevoelen zaken anders of genuanceerder voor te doen dan ze werkelijk zijn. De ultieme vriendschapservaring zit hem wat mij betreft in die specifieke momenten, tijdens een gesprek, waarbij beide partijen ervaren elkaar volledig te begrijpen. Momenten waarop het fascinerende gevoel merkbaar is dat je opgaat in elkaars denken, en elkaar daarbij tot nieuwe hoogtes brengt.

Wat is liefde?
Binnen de meeste bestaande definities spreekt men in het geval waar er sprake is van vriendschap en in de praktijk gebrachte sexuele aantrekking van liefde. Het heeft me aan het denken gezet over wat liefde nu eigenlijk inhoudt. Want waarvan is er in een liefdesrelatie nog meer sprake dan van vriendschap en van de ruim gedefinieerde sexuele aantrekking zoals hierboven beschreven? De meeste gevoelens van verantwoordelijkheid, medeleven en interesse doen zich ook voor bij vriendschappen. Voor veel mensen ligt het onderscheid tussen vriendschap en een liefdesrelatie in de aanwezigheid van sexueel contact. En voor diezelfde mensen is dat ook meteen het gegeven dat de vriendschap afbakent: hier ligt de grens. Vreemd genoeg hebben veel mensen niet al te grote bezwaren tegen het aangaan van intieme geestelijke contacten met meerdere personen. Het uiten van eventuele gevoelens van sexuele aantrekking, mochten die zich voordoen, of het elkaar daarin bevestigen is dan echter weer uitgesloten. Laat staan het lichamelijk consumeren van dat gevoel.

De vraag is volgens mij of er wel zoiets als liefde bestaat, en of dat dus als basis kan dienen voor een relatie met slechts één persoon. We kennen vriendschap en we kennen sexuele aantrekking. Wanneer sprake is van die combinatie en beide partners zijn beschikbaar en bereid een relatie te beginnen, koppelen we beide gegevens aan elkaar en noemen dat liefde. In cultureel opzicht zijn we denk ik gedeeltelijk tot dat beeld geconditioneerd. Omdat een sexueel contact door veel mensen exclusief met één partner op één moment wordt aangegaan, maar vriendschappen zich onbeperkt kunnen blijven aanvullen en verdiepen, denk ik dat er behoefte was aan het definiëren van het contact-met-de-sexuele-betrekkingen, om het te kunnen onderscheiden van de overige vriendschappen.

Herdefiniëren van relaties
Wanneer we zouden aannemen dat liefde dus de benaming is voor de combinatie van vriendschap en sexuele aantrekking, dan wordt het een stuk eenvoudiger om met een frisse blik te kijken naar de definitie van relaties. We accepteren immers dat we vriendschappen kunnen aangaan met meerdere mensen en dat dit de kwaliteit van één van die vriendschappen niet hoeft te beïnvloeden. We blijven elkaar als vriend even dierbaar. Als we deze gedachte nu projecteren op het uiten en bevestigd krijgen van gevoelens van sexuele aantrekking, dan zouden we hiervan makkelijker kunnen accepteren dat ook dat niet beperkt hoeft te blijven tot een oprecht gevoel voor slechts één persoon. We kunnen dus “liefde” voelen voor meerdere mensen. We kunnen van meerdere mensen houden, zonder dat dit iets afdoet aan onze gevoelens en intenties met de eerste partner.

Veel mensen lijken hun relatie te definiëren aan de hand van wat er níet geoorloofd is búiten de relatie. Het is de exclusiviteit die de relatie tot relatie maakt. Dat lijkt me een magere manier om de relatie te definiëren. Daarnaast lijkt het me geen léuke manier om met de relatie om te gaan. Ik wil redenen kunnen aandragen waarom mijn partner zo bijzonder, interessant, inspirerend, spannend en aantrekkelijk is, en waarom mijn andere partner weer om andere redenen door mij bijzonder, interessant, inspirerend, spannend en aantrekkelijk wordt gevonden. Ik zou niet willen dat mijn partner zo speciaal voor mij is door wat er wordt geláten. Ik wil dat mijn partner speciaal voor me is door wat die partner voor míj zo bijzonder maakt.

Jaloezie
Ik kan me voorstellen dat veel mensen die grotendeels in deze lijn van gedachten mee kunnen gaan toch zullen blijven zitten met het gegeven van jaloezie. Jaloezie is iets wat diep in ons zit, en wat rationeel moeilijk te weerleggen is. Toch lijkt het me interessant om ook hier de vraag te stellen: heeft onze jaloezie een biologische oorsprong, en is deze bijvoorbeeld een vast onderdeel van de genetische overlevingsstrategie ten behoeve van het behouden van de andere ouder van onze kinderen? Of is het zo dat we in cultureel opzicht dusdanig gewend zijn geraakt aan de generieke -exclusieve- relatievorm, en dat de mogelijkheden om gevoelens voor anderen te cultiveren zonder dat dit ingrijpende gevolgen heeft voor de relatie binnen dat beeld zo beperkt zijn, dat die angst de partner te verliezen zich daarom uit in jaloezie?

Met andere woorden: Is het slechts een kwestie van het omarmen van een hernieuwde kijk op de betekenis en vorm van relaties om dit gevoel te bestrijden, of spelen er factoren die buiten ons bewustzijn zoveel grip hebben op onze emoties, dat het succesvol aangaan van dergelijke polyamore relaties in veel gevallen nagenoeg onmogelijk is?

Voor iedereen?
Ik neig ernaar om te concluderen dat de voordelen van het hebben van meerdere relaties (het zich door meerdere mensen geliefd en aantrekkelijk gevonden voelen, het zich persoonlijk en emotioneel kunnen ontwikkelen én vooral ook het ervaren dat de eerste partner zich persoonlijk en emotioneel ontwikkelt) opwegen tegen de nadelen.

Ik ben ervan overtuigd dat het aangaan van een dergelijke relatievorm als voorwaarde stelt dat beide oorspronkelijke partners hun relatie definiëren aan de hand van wat ze elkaar te bieden hebben, en daar ook zeer openlijk hun waardering en toewijding over uitspreken. Mensen voor wie het belangrijk is voor het beleven van hun relatie dat alleen zíj bij elkaar zijn, en dat het aangaan van een andere relatie dit gegeven dus zal ondermijnen, kunnen dus beter niet dergelijke betrekkingen met meerdere personen aangaan. Ik denk zeker dat er een grote groep mensen is voor wie het hebben van slechts één partner de meest bevredigende relatievorm blijft.

Persoonlijk lijkt me dat het aangaan van een andere relatie het geluk dat iemand kan ervaren evenredig kan doen toenemen. Het delen van een liefdevolle en intieme band met iemand is te bijzonder om die uit naam van een zekere definitie van liefde te beperken tot één persoon.

Ik vraag me af hoe anderen hier over denken. Waar zitten volgens hen de hiaten in mijn verhaal? En interessanter nog: hoe maken zij de afwegingen om om te gaan met dit soort zaken?

Wat is geluk?

Eerder dit jaar bezocht ik een lezing van professor Ruut Veenhoven van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Veenhoven heeft onderzoek gedaan naar hoe gelukkig mensen zijn in verschillende landen op de wereld, en heeft hier vervolgens een rangorde in aangebracht. Om het geluk van deze mensen te kunnen meten werd hen gevraagd om dat zelf te beoordelen  en aan te geven met een cijfer tussen 1 en 10.

Terwijl ik deze methodiek op me in liet werken, vroeg ik me af of je geluk eigenlijk wel kunt meten op deze manier, en helemaal of je deze cijfers dan in een rangorde kunt plaatsen. En deze vraag heeft me sindsdien niet meer losgelaten. Ik twijfelde aan het gegeven of iedereen wel in staat is om te beoordelen hoe gelukkig zijn leven is. Immers: een inwoner van een ontwikkelingsland die redelijk in staat is het hoofd boven water te houden terwijl hij om zich heen ziet hoe anderen het veel slechter hebben, zou zijn leven kunnen beoordelen met een 9. Een inwoner van een geïndustrialiseerd land die op zijn minst aan de maatstaven van eerder genoemde “9” voldoet, zou zich echter kunnen realiseren dat het leven nog veel meer te bieden heeft, en zijn leven bijvoorbeeld met een 8 beoordelen.

Is laatstgenoemde dan ongelukkiger?

Ik vraag me af of er objectieve maatstaven zijn waarop geluk kan worden beoordeeld. Enigszins tot mijn verbazing merkte ik dat vrienden met wie ik deze vraag besprak, me er nagenoeg zonder uitzondering op wezen dat alleen een persoon zelf kan oordelen over zijn levensgeluk. Zij wekten de indruk dat het bijna van arrogantie getuigt om daarover iets van een ander te zeggen. En daarin hebben zij gelijk: het gebruik van het woord “geluk” heeft in de taal een hardomlijnde betekenis, en die laat weinig ruimte. Maar misschien moeten we die definitie een beetje loslaten. Het is jammer om op symantische gronden niet over deze vraag na te denken.

Dus: Zijn er objectieve maatstaven om iemands “geluk” te kunnen meten? En zijn die dan echt universeel? Ik ben daar nog niet uit, maar doe toch een voorzichtige poging. Volgens mij wordt geluk grotendeels bepaald door de volgende criteria:

1. Liefde en lust
2. Vriendschap
3. Denken
4. Esthetiek

Ik denk dat bevrediging op deze vlakken leidt tot het ultieme levensgeluk. Ik zal ze hieronder kort toelichten.

1. Liefde en lust

Ik heb getwijfeld of ik liefde en lust als losstaande elementen moest opnemen in het lijstje, en zelfs of ik daar “verliefdheid” als apart onderdeel aan toe moest voegen. Uiteindelijk heb ik besloten ze toch onder een noemer te vangen. Want hoewel verliefdheid, liefde en lust op zichzelf staande zaken zijn, vertonen ze toch veel overlap. In mijn ogen vormen ze de sterkste emotie van de mens. Wanneer verliefdheids- en/of lustgevoelens worden bevredigd, lijdt dat tot een ultiem geluksgevoel. Maar zelfs wanneer de weg naar deze bevrediging lang en moeizaam is, of zelfs uitblijft, dan nog zou ik willen pleiten voor de grote bijdrage aan het geluk op de lange termijn. Er zijn weinig zaken die iemand zo met zichzelf confronteren als een totale focus van de gedachten op een ander. De ervaring van het gevoel leidt tot een grote bewustwording van zichzelf.

Er is niets wat de mens zo bezighoudt als andere mensen. Het verlangen naar een (of meerdere) ander(en) is overweldigend. Hoe snel de mens zich ook ontwikkeld, hoe veel kennis en technologie we er ook bijkrijgen, ons verlangen naar anderen blijft onvermoeid prioriteit hebben.

De fascinatie voor die ene andere kan heel duurzaam zijn, of heel vluchtig. Beide worden op eigen wijze gecultiveerd. Soms leidt die fascinatie voor een ander tot verliefdheid, wat op zijn beurt weer kan uitmonden in een liefdesrelatie. Maar even zo vaak is de fascinatie van korte duur (of duurt zelfs maar een fractie van seconden, bijvoorbeeld bij het in het voorbijgaan passeren van de ander). Ik heb gemerkt dat hoewel deze schaal héél breed is, dit soort gevoelens heel veel effect kunnen hebben. Ze voeden de geest.

Voor wat betreft de praktische invulling van de liefde en lust zijn er veel vormen denkbaar. Ik denk dat deze invulling in veel meer gevallen gebaseerd is op culturele maatstaven, dan veel mensen zichzelf realiseren. Op zich is dat niet erg natuurlijk, maar zoals ook bij de volgende punten uit mijn lijstje zal blijken, denk ik dat beperkingen in het absorberen van geluk -daar waar zij een ander niet schaden- zo veel mogelijk vermeden zouden moeten worden. Hoewel gecompliceerd, zijn het ervaren van liefde, verliefdheid en lust in mijn ogen een van de belangrijkste pijlers onder het menselijk geluk.

2. Vriendschap

Vriendschap kent vele vormen. Maar volgens mij wordt vriendschap het allermooist gecultiveerd in gesprekken. Bij voorkeur één-op-één. Het voeren van een lang gesprek, waarin gedurende de avond steeds dieper wordt ingegaan op elkaars ideeën en gevoelens kan een extatische ervaring opleveren. Die kan zitten in herkenning, of juist in nieuwe inzichten en invalshoeken die compleet nieuwe denkbeelden opleveren. Die inspireren.

Wat maakt dat mensen bij elkaar passen als vrienden? Ik denk dat mensen van velerlei pluimage met elkaar bevriend kunnen zijn. Mensen met verschillende levensstijlen en achtergronden. Maar ik denk wel dat er een aantal randvoorwaarden zijn voor een goede vriendschap. Want hoe verschillend vrienden ook kunnen zijn, de essentiële waarden in het leven zullen overeen moeten komen. Ik kan me niet voorstellen bevriend te zijn met iemand die een radicaal ander wereldbeeld heeft dan ik, fundamenteel andere dingen belangrijk vindt, of niet de belangrijkste waarden met me deelt. Je kunt van mening verschillen over wat de beste muziek is of welke computer je zou moeten gebruiken, maar niet over zaken als goed en fout.

Ik zou zelf dus nooit bevriend kunnen zijn met iemand die bijvoorbeeld een religie als basis gebruikt voor het bepalen van de waarden in zijn leven, omdat dit lijnrecht staat tegenover de autonome verantwoordelijkheid om zélf na te denken. In het volgende punt kom ik hier op terug.

3. Denken

Ik ben ervan overtuigd dat het nadenken over de invulling van het leven een grote bijdrage leveren aan het geluk. Gedwongen worden om te bepalen “waar je staat” maken dat je veel bewuster bent van de keuzes die je maakt. Dit kan dan gaan om ideeën over goed en kwaad, de verantwoordelijkheid van mensen onderling of politieke invulling. Maar ook over wat het leven voor iemand écht de moeite waard maakt, en daarbij zo veel mogelijk weerstand te bieden tegen gebruikelijke conventies die wellicht niet in lijn zijn met iemands persoonlijke opvattingen.

Om dit denken zo goed mogelijk te stimuleren zijn gesprekken met anderen, en het lezen over wat eerdere denkers hierover hebben geschreven, de beste en meest bevredigende middellen. Uit ervaring ken ik het gevoel een tekst te lezen (hetzij van een gelauwerd klassiek filosoof, hetzij van een columnist uit de krant van gisteren), die een grote innerlijke opwinding los kan maken. Soms komt dat door de nieuwe inzichten die een tekst kan geven, maar regelmatig ook door de herkenning van eigen denkbeelden in het gedachtengoed van anderen. Die dat misschien weer net iets anders, en beter, verwoorden.

Zulke nieuwe inzichten kunnen vervolgens weer gedeeld worden met vrienden. Die wisselwerking ontbreekt bij het geschreven woord, en is daarom ook zo belangrijk.

Nadenken over dingen “die er toe doen” kan uitermate bevredigend zijn, maar is voor sommige mensen ook lastig. Zeker als je zelf je positie moet bepalen. Niets lijkt dan makkelijker om alle antwoorden op wat iemand van iets moet vinden gewoon te krijgen aangereikt. Het verklaart ook het succes van godsdiensten. En daarmee zijn we op de grootste bedreiging van het vrije denken aanbeland. In een godsdienst worden kaders aangereikt, die door de vorm niet of nauwelijks voor eigen interpretatie open staan. En die, immers aangereikt in geschriften, ook niet onderhavig zijn aan veranderingen en nieuwe inzichten. Natuurlijk zijn er altijd mensen die beweren dat religieuze geschriften op velerlei wijzen zijn te interpreteren (zo heb ik wel eens iemand horen zeggen dat “Hij die ligt bij een man zoals bij een vrouw begaat een gruweldaad, beiden zullen ter dood worden gebracht en hebben de dood aan zichzelf te danken — Leviticus 20:13” eigenlijk gelezen moet worden als “je moet eens een goed gesprek met elkaar hebben”), maar deze mensen weten ook dat zij zich in alle mogelijke bochten wringen omdat ze hun eigen ideeën over goed en kwaad niet meer kunnen verenigen met de door de religie aangereikte waarden.

Godsdienst is de hamer aan het vrije denken, en belemmert mensen dus om de ontwikkeling en de bijbehorende bevrediging mee te maken die ik eerder beschreef.

Denken over het leven is niet altijd makkelijk. Het bepalen van je positie en het vaststellen van de doelen in je leven kunnen lastig zijn, en zijn bovendien vaak een (levens)lang lopend proces. Maar het doormaken van het proces, en het kunnen delen ervan met anderen, zijn uitermate bevredigend.

4. Esthetiek

Schoonheid is van grote toegevoegde waarde in het leven. Hierbij maak ik onderscheid in twee categorieën: cultuur en natuur.

Na bovengenoemde drie zaken behoren kunst-uitingen tot de meest indringende ervaringen die een mens kan hebben. Of dit nu gaat om een muziekstuk, een boek, een schilderij, een toneelvoorstelling, een film of iets anders. Ikzelf onderga nog steeds een heftige emotie wanneer ik het nummer “Travel” van de Nijmeegse band The Gathering hoor, of Air in G van Bach beluister. Of wanneer ik een aangrijpende young-adult roman lees van schrijvers als Per Nilsson of John Green. Kunst kan raken op onbewuste levels (zoals vaak het geval is bij muziek of meer abstracte vormen van kunst), of raken aan gevoelens en gedachtes (zoals bij boeken of films).

Vervolgens is er de schoonheid van de natuur. Een nachtelijke sterrenhemel, het prachtige uitzicht vanaf een hoge berg of een treurwilg die boven een vijver hangt. Er zijn weinig zaken die de mens zo met de neus op de feiten drukken dat hij of zij onmiskenbaar veel geluk heeft geboren te zijn als de schoonheid van de natuur. De gedachte dat dingen die geen feitelijk doel hebben toch zó mooi kunnen zijn. Een mooiere metafoor voor het leven is er niet.

Het is een geweldige ervaring om open te staan voor het effect dat deze vormen van esthetiek kunnen hebben.

Wat ontbreekt?

Bovenstaand lijstje is mijn poging om de essentie van het leven te vatten in een aantal zaken. Zaken waarvan ik denk dat ze een enorme bijdrage leveren aan het levensgeluk. Maar de lijst is gebaseerd op mijn eigen ervaring. In een poging de lijst echt universeel te maken heb ik lang nagedacht over welke zaken ontbreken die misschien in míjn leven geen (grote) rol spelen, maar die voor anderen wellicht wel van groot belang zijn.

Op de eerste plaats staat dan waarschijnlijk het krijgen en opvoeden van kinderen. Hoewel ik me de intense bevrediging daarvan (en het verlangen ernaar – ik heb dat zelf tijdens een eerdere periode in mijn leven ook gekend) goed kan voorstellen, vraag ik me af of het krijgen van kinderen een essentiëel universeel ingrediënt is voor geluk. Merk op dat het hier gaat om zingeving, niet om biologische voorbestemming.

Ten tweede is er professionele ontplooïng, platter gezegd: het maken van carriere. Veel mensen hechten groot belang aan de positie die hun werk inneemt in hun leven. Voor mij zou een dergelijke ontplooïng echter meer op een lijn staan met hobby’s en interesses: leuk als tijdsverdrijf, maar niet essentiëel voor geluk.

Verantwoordelijkheden en waarden

Het leven heeft geen “doel” in filosofisch opzicht. Zelfs of er een biologisch “plan” is valt te betwijfelen, maar dat valt sowieso buiten het kader van dit artikel (en mijn interessegebied). Dit neemt echter niet weg dat ik vind dat de mens wel een verantwoordelijkheid draagt. Namelijk een verantwoordelijkheid ten opzichte van andere mensen. Als er één taak genoemd moet worden die een mens in mijn ogen dient te vervullen, dan is het een bijdrage leveren aan het geluk van anderen. Of, als dat door omstandigheden niet mogelijk is, om het geluk van anderen niet in de weg te staan.

Met het wegvallen van godsdiensten en andere waarde-bepalende autoriteiten hebben sommige mensen moeite met de vraag wie of wat dan moet bepalen wat goed of fout is. Toch lijkt mij deze vraag in de basis niet heel moeilijk om te beantwoorden. Ik ga uit van twee “regels”

– Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet

– Iets wat iemand gelukkig maakt en een derde niet schaadt, kan in beginsel nooit afkeurenswaardig zijn

Met dat laatste bedoel ik dat niemand een ander een moraal kan opleggen, zolang die ander zelf geen schadelijke gevolgen ondervindt van de acties van de eerste. Met name op het gebied van sexualiteit is daar uiteraard vaak sprake van. Denk aan het afkeuren van homosexualiteit door veel gelovigen. Ik denk dat het tot de taak van weldenkende mensen behoort om op te komen voor de vrijheden van anderen om hun geluk na te jagen op de manier die zij prettig vinden.

Je zou ook nog het een en ander kunnen zeggen over waar de autonomie van een persoon ophoudt. Heeft iemand het recht om zichzelf geestelijk en lichamelijk te gronde te werken, bijvoorbeeld door drugsmisbruik, onder de noemer zelfbeschikking? Of heeft de maatschappij dan het recht hier tegen op te treden? Ik neig naar het laatste, maar ben er nog niet uit.

Conclusie

Het is interessant om na te denken over “waar het om draait”. Interessanter nog is om na te gaan of deze zaken universeel zijn en voor alle mensen een welkome aanvulling zijn op, of zelfs een essentiëel onderdeel zijn van, hun levensgeluk.

Laten we het voorbeeld uit het begin, over de inwoner van een ontwikkelingsland versus de inwoner van een westers land, nu eens alsvolgt vertalen. Stel je een man voor die, hetzij door bewuste keuzes, hetzij door beperkte intellectuele vermogens, een betrekkelijk eenvoudig leven heeft geleid, veel gewerkt heeft, en voornamelijk tijd alleen heeft doorgebracht. Wanneer men deze man aan het einde van zijn leven zou vragen zijn leven te beoordelen, zou hij kunnen zeggen dat zijn leven een 9 krijgt. Hij had immers alles waar hij behoefte aan had.

Dan gaan we naar onze hypothetische tegenhanger. Deze persoon heeft een leven geleid waarin hij zinderende liefdes heeft gekend, gemerkt heeft hoe veel mooie dingen indruk op hem hebben gemaakt, diepgaande vriendschappen gehad waarin hij alles wat hem bezighield heeft kunnen bespreken en hij veel heeft nagedacht over het leven en de invulling die hij er aan wilde geven. Toch denkt de man dat er nog genoeg onderwerpen waren om over te praten, genoeg liefdesgevoelens bevredigd zouden kunnen worden en er veel te veel mooie boeken en muziek zijn geschreven om ze allemaal te lezen en te beluisteren. Hij geeft zijn leven een 8.

Ik blijf zitten met de vraag: Is het echt zo dat alleen iemand zélf kan beoordelen hoe gelukkig hij of zij is?